De zaak draait om de vraag of de zogenoemde villatax – de extra hoge bijtelling in het eigenwoningforfait bij dure woningen – en de afbouw van de Hillen-regeling in strijd zijn met fundamentele rechtsbeginselen of het EVRM. Belanghebbende, eigenaar van een woning met een WOZ-waarde van € 2.377.000, klaagt over belastingheffing op fictieve inkomsten die hoger is dan zijn aftrekbare kosten. Hij beroept zich op het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
Het kabinet start met de internetconsultatie over het opnemen van minimum energieprestatie-eisen voor huurwoningen. De eisen worden vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Eigenaren van huurwoningen met een energielabel E, F of G moeten hun pand uiterlijk op 1 januari 2029 verduurzamen naar minimaal energielabel D. Dit draagt bij aan een verlaging van de energierekening en beter wooncomfort van huurders. Ook de waarde van de woning neemt toe en de woning is meer toekomstbestendig.
De levensloopregeling werd al in 2012 afgeschaft, maar kende nog overgangsrecht tot 1 november 2021. In deze zaak draait het om de vraag of de uitbetaling van een levensloopregeling in 2022 alsnog mag worden belast in 2021, vanwege het wettelijk vastgestelde fictieve genietingsmoment. Het Gerechtshof Den Haag heeft zich op 16 oktober 2025 uitgesproken over het hoger beroep van een belastingplichtige tegen de aanslag inkomstenbelasting 2021. Centraal staat de toepassing van artikel 39d, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB).
In het artikel Economisch-Statistische Berichten (ESB) “Defiscalisering eigenwoning beperkt prijsgroei zonder betaalbaarheidsproblemen” wordt onderzocht wat de effecten zijn van een geleidelijke defiscalisering van het eigenwoningbezit. De kernconclusie: het weghalen of verminderen van fiscale voordelen (zoals de renteaftrek van de eigenwoningschuld en het eigenwoningforfait) zou volgens de auteurs leiden tot minder sterke prijsstijgingen van koopwoningen, maar niet tot grote betaalbaarheidsproblemen.
De toepassing van het verlaagde tarief van 2% overdrachtsbelasting – of zelfs de startersvrijstelling – staat of valt met het hoofdverblijfcriterium. Maar hoe moet dat criterium worden uitgelegd als het gekochte pand eigenlijk alleen op papier nog een woning is, maar in werkelijkheid een bouwval die gesloopt moet worden? Een recente uitspraak van Rechtbank Noord-Holland (26 augustus 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:9879) biedt welkome duidelijkheid én een frisse benadering. Maar de interpretatie van de Belastingdienst en eerdere rechtspraak zorgen nog steeds voor onzekerheid en – soms – onredelijke uitkomsten.
Ruim de helft van de Nederlandse huishoudens heeft vertrouwen in de financiële sector, evenveel als een jaar eerder. Daarentegen is het aantal Nederlanders dat zich zorgen maakt over de financiële gezondheid van banken, verzekeraars en pensioenfondsen wel gegroeid. Dat blijkt uit een onderzoek van De Nederlandsche Bank (DNB) onder ruim 2.400 huishoudens.
In deze zaak staat de vraag centraal of tussen een koper en een particuliere verkoper een rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand is gekomen voor een recreatiewoning, op basis van een door beide partijen ondertekende e-mail. De koper stelde van wel, het Hof oordeelde van niet. Daarmee staat deze uitspraak opnieuw stil bij de grenzen van aanbod, aanvaarding en het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:2 BW.
In deze zaak stond de vraag centraal of een hoogbejaarde weduwe (91 jaar in 2022) haar woning rechtmatig heeft verkocht aan haar schoondochter, en of de daarbij horende schenkingen vernietigbaar zijn. De weduwe beriep zich op geestelijke stoornis en misbruik van omstandigheden. Het Hof oordeelde anders.
In deze uitspraak van Kifid (nr. 2025-0871) staat de vraag centraal of een financieel adviseur aansprakelijk is voor schade, terwijl er geen schriftelijke adviesovereenkomst was gesloten. De consument ontving kosteloos hulp van een hypotheekadviseur, maar stelt achteraf schade te hebben geleden doordat de rente op zijn hypotheek niet tijdig werd vastgezet. Kifid moest oordelen of de adviseur een zorgplicht had en of die is geschonden.
Deze Kifid-zaak draait om de vraag of een bank na het verstrijken van een 10-jarige betalingsregeling alsnog de volledige restschuld, inclusief rente, mag opeisen van een consument. De kern draait om het beginsel van redelijkheid en billijkheid en de mate waarin een schuldeiser contractueel en juridisch binnen zijn recht blijft om toch (volledig) betaling te eisen.
Als professioneel financieel adviseur moet en wilt u bijblijven en dat het liefst in zo weinig mogelijk (kostbare) tijd. Dat kan nu met Fintool.nl! Meld u nu aan als abonnee en krijg toegang tot de Kennisbank, Rekenmodellen en Helpdesk.