De belastingplichtige (hierna: de man) en zijn partner (hierna: de vrouw) hebben op beider naam een kapitaalverzekering eigen woning (hierna: KEW). Het tegoed op de KEW behoort aan beiden voor de helft toe. De man en vrouw scheiden. In het echtscheidingsconvenant is bepaald dat de man de eigen woning en de eigenwoningschuld (hierna: EWS) krijgt toebedeeld. Die toedeling heeft al plaatsgevonden. De vrouw woont in een huurwoning. Bij de aanbieder heeft nog geen wijziging in de tenaamstelling van de KEW plaatsgevonden. De KEW staat dus nog zowel op naam van de man als de vrouw.
Vragen
Antwoorden
Beschouwing
Eén van de voorwaarden voor een KEW is dat de verzekeringnemer of zijn partner een eigen woning heeft. De voorwaarden van een KEW zijn opgenomen in artikel 10bis.4, tweede lid, Wet IB 2001. In het derde lid is bepaald in welke situaties de KEW geacht wordt geheel tot uitkering te zijn gekomen (de zogeheten fictieve uitkeringen). Dit is onder andere het geval als niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden van het tweede lid van artikel 10bis.4 Wet IB 2001, zoals wanneer de verzekeringnemer of zijn partner geen eigen woning meer heeft.
Wanneer beide partners verzekeringnemer en/of begunstigde bij leven zijn voor een KEW die bij leven uitkeert, is in fiscale zin sprake van twee KEW’s. Als één van beide verzekeringnemers geen eigen woning meer heeft, komt daardoor de KEW niet volledig fictief tot uitkering, maar slechts voor de helft, namelijk voor het aandeel van de verzekeringnemer die geen eigen woning meer heeft. Als de vrouw geen eigen woning meer heeft (omdat ze is gaan huren), komt de KEW dus niet volledig fictief tot uitkering, maar voor de helft.
In de situatie dat de verzekering nog op naam van de man en de vrouw staat (het verzekeringnemerschap is nog niet aangepast), kan de man voor de afkoop van zijn helft van de verzekering gebruikmaken van de uitkeringsvrijstelling. Uiteraard moet wel aan de in artikel 10bis.6 Wet IB 2001 gestelde voorwaarden worden voldaan.
Op het moment dat de vrouw is gaan huren en geen eigen woning meer had, komt de KEW ten aanzien van haar helft fictief tot uitkering. De voorwaarden voor de uitkeringsvrijstelling zijn opgenomen in artikel 10bis.6, eerste lid, Wet IB 2001. Eén van die voorwaarden is dat de uitkering heeft gediend voor de aflossing van de EWS. De vrouw kan voor haar helft van de KEW gebruikmaken van de uitkeringsvrijstelling zonder dat de uitkering heeft gediend voor aflossing van de EWS. In artikel 10bis.6, tweede lid, onderdeel a, Wet IB 2001 is namelijk bepaald dat de voorwaarde opgenomen in artikel 10bis.6, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 niet geldt als de verzekeringnemer geen eigen woning meer ter beschikking heeft staan en de verzekering daardoor geacht wordt tot uitkering te zijn gekomen. De vrouw hoeft daarbij niet zo veel mogelijk de eigenwoningschuld af te lossen. Wel moet ze jaarlijks premies hebben voldaan binnen een bandbreedte van 1:10.
Haar helft van de verzekering is door de fictieve uitkering overgegaan naar box 3. De kapitaalverzekering die tot box 3 behoort, kan vervolgens door de vrouw zonder heffing van inkomstenbelasting worden afgekocht.
Hetgeen hierboven is opgenomen voor de KEW is ook van toepassing op de spaarrekening eigen woning (SEW) en het beleggingsrecht eigen woning (BEW). In artikel 10bis.7 Wet IB 2001 is voor de SEW en de BEW artikel 10bis.6 Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing verklaard.
Bron: Belastingdienst
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99