De invoering van een nieuw box 3-stelsel per 1 januari 2028 is opnieuw onzeker geworden. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft forse bezwaren tegen de novelle waarmee het kabinet financiële instrumenten al vanaf 2028 onder een vermogenswinstbelasting wil brengen. Volgens de Raad van State is invoering van de voorgestelde systematiek per 2028 op basis van de beschikbare informatie niet verantwoord. Het advies is om de novelle niet in deze vorm bij de Tweede Kamer in te dienen.
Daarmee krijgt het box 3-dossier opnieuw een fundamenteel andere richting. Waar het kabinet juist wilde versnellen richting een vermogenswinstbelasting, adviseert de Raad van State om rust te creëren en zo nodig pas per 2030 in één keer over te stappen naar een nieuw stelsel.
Wat wilde het kabinet vanaf 2028?
In het reeds door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is vanaf 2028 een belastingheffing over het werkelijke rendement voorzien. Daarbij vormt een vermogensaanwasbelasting in beginsel de hoofdregel. Niet alleen ontvangen rente, dividend en andere inkomsten worden dan belast, maar ook nog niet gerealiseerde waardemutaties.
Voor onder meer onroerende zaken was al een vermogenswinstsystematiek voorzien, waarbij de waardestijging in beginsel pas bij realisatie wordt belast.
Het kabinet wilde deze koers via een novelle ingrijpend wijzigen. Ook financiële instrumenten, zoals aandelen en obligaties, zouden vanaf 2028 onder de vermogenswinstbelasting gaan vallen. Daarmee zou een groot deel van de vermogensbestanddelen al twee jaar eerder dan oorspronkelijk voorzien naar een belastingheffing bij realisatie overgaan. Fintool berichtte hierover eerder op 30 september 2026.
Tijdelijk twee systemen naast elkaar
Juist die tussenperiode van 2028 tot 2030 is voor de Raad van State een belangrijk bezwaar. Door de novelle zouden tijdelijk verschillende box 3-vermogensbestanddelen volgens verschillende systemen worden belast.
Volgens de Afdeling is onvoldoende gemotiveerd waarom dat onderscheid gerechtvaardigd is. Bovendien ontstaat voor slechts twee jaar een hybride stelsel dat zowel voor belastingplichtigen als voor de Belastingdienst extra complexiteit oplevert.
De uitvoering is daarbij een belangrijk knelpunt. Voor het tijdelijke stelsel zou volgens de Raad van State circa 252 fte extra personele capaciteit nodig zijn, naast ongeveer € 31 miljoen aan bijkomende uitvoeringskosten.
Belastingdienst acht 2028 niet uitvoerbaar
Nog zwaarder weegt de uitvoeringstoets van de Belastingdienst. Daaruit blijkt volgens de Raad van State dat de novelle voor 2028 niet uitvoerbaar wordt geacht.
Daar komt bij dat de Belastingdienst al met omvangrijke bestaande werkzaamheden en hersteloperaties te maken heeft. Ook ontbreken voor delen van het nieuwe stelsel aanvankelijk voldoende gegevens van derden om aangiften automatisch te kunnen controleren.
De Afdeling concludeert daarom dat invoering per 2028 op basis van de huidige informatie niet verantwoord is. Ook Taxence wijst bij zijn bespreking van het advies nadrukkelijk op deze uitvoeringsproblematiek.
Alternatief: rechtstreeks naar 2030
De Raad van State geeft het kabinet een duidelijk alternatief mee. De meest verstrekkende route is het huidige wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 in te trekken, de novelle niet in te dienen en een nieuw wetsvoorstel voor te bereiden waarmee per 2030 in één keer een nieuw box 3-stelsel wordt ingevoerd.
Wil het kabinet toch verder met het bestaande wetsvoorstel en de novelle, dan adviseert de Afdeling om de vermogenswinstbelasting eveneens pas in 2030 voor alle box 3-vermogensbestanddelen tegelijk te laten ingaan. In beide scenario's zou de huidige forfaitaire box 3-systematiek, inclusief de mogelijkheid van tegenbewijs op basis van het werkelijk rendement, ook gedurende 2028 en 2029 blijven bestaan.
Belangrijk is wel dat dit vooralsnog een advies is. De regering moet nog bepalen wat zij ermee doet. Voor adviseurs kan daarom nog niet worden aangenomen dat de invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 per 2028 definitief van de baan is.
Forse verandering ten opzichte van eerdere planning
De ontwikkeling is opvallend omdat het kabinet juist enkele weken geleden een versnelling aankondigde. Op 30 september schreef Fintool nog dat financiële instrumenten vanaf 2028 naar een vermogenswinstbelasting zouden moeten gaan. Daarbij was al aangegeven dat 2028 geen gelopen race was en dat de uitvoering een belangrijk aandachtspunt zou worden.
Op 12 oktober meldde Fintool vervolgens dat de novelle uiterlijk 2 november bij de Tweede Kamer zou worden ingediend en dat de behandeling daarvan gekoppeld moest worden aan het Belastingplan 2027. Het nu gepubliceerde advies van de Raad van State maakt die planning aanzienlijk onzekerder.
Wat betekent dit voor de adviespraktijk?
Voor financiële planners en belastingadviseurs is vooral van belang om drie regimes uit elkaar te blijven houden.
Ook bij voorgenomen verkooptransacties of andere vermogensoverdrachten is voorzichtigheid geboden met beslissingen die uitsluitend worden ingegeven door de gedachte dat vanaf 2028 zeker een vermogenswinstbelasting gaat gelden.
Nog geen eindstation
Het box 3-dossier kent inmiddels een lange geschiedenis van rechterlijke uitspraken, herstelwetgeving, tegenbewijs en verschillende voorstellen voor een toekomstig stelsel. Het advies van de Raad van State voegt daar een nieuwe belangrijke fase aan toe.
Waar de discussie tot voor kort vooral ging over hoe het nieuwe stelsel in 2028 moest worden ingevoerd, staat nu nadrukkelijk ook weer de vraag op tafel of invoering per 2028 verstandig en uitvoerbaar is.
De eerstvolgende stap is aan het kabinet. Pas na de reactie op het advies wordt duidelijk of wordt vastgehouden aan 2028, de novelle ingrijpend wordt aangepast of dat daadwerkelijk koers wordt gezet naar één nieuw box 3-stelsel per 2030.
Bron: Raad van State
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99