MijnFintool

Nieuws

Wet werkelijk rendement box 3 naar plenaire behandeling: 2028 blijft het richtjaar, maar de adviespraktijk krijgt er een administratief dossier bij

Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel op 16 juni 2026 aangemeld voor plenaire behandeling. De plenaire behandeling staat gepland voor 30 juni 2026. De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel al aan op 12 februari 2026. Daarmee is de wet nog niet rond, maar het politieke spoor richting een nieuw box 3-stelsel per 2028 blijft vooralsnog intact.

Hoofdlijn: werkelijk rendement, maar niet overal hetzelfde
Het wetsvoorstel wijzigt de Wet IB 2001 en introduceert een nieuw stelsel voor box 3. De hoofdregel wordt een heffing over het werkelijke rendement op basis van vermogensaanwas. Dat betekent dat niet alleen reguliere inkomsten, zoals rente, dividend en huur, maar ook positieve of negatieve waardemutaties in de heffing worden betrokken. Kosten zijn daarbij aftrekbaar.

Daarmee verdwijnt de huidige forfaitaire benadering als structureel eindstelsel. De Eerste Kamer vat de kern van het voorstel als volgt samen: alle voordelen uit bezittingen en schulden in box 3 worden in beginsel belast, tenzij een voordeel expliciet wordt uitgezonderd. Het nieuwe stelsel ziet op vermogen dat nu in box 3 valt; vermogen in box 1 en box 2 blijft dus buiten dit wetsvoorstel.

Voor bepaalde vermogensbestanddelen wordt echter niet gekozen voor jaarlijkse aanwasheffing. Voor onroerende zaken en voor aandelen of winstbewijzen in startende ondernemingen geldt als uitzondering een vermogenswinstbelasting. De waardestijging wordt dan pas belast bij realisatie, bijvoorbeeld bij verkoop. Reguliere inkomsten, zoals huur of dividend, blijven wel belast in het jaar waarin zij worden ontvangen.

Vastgoed: heffing bij verkoop, maar huur jaarlijks belast
Voor de adviespraktijk is vooral de vastgoedcomponent relevant. Box 3-vastgoed komt niet in een zuivere vermogensaanwasbelasting terecht, maar in een vermogenswinstsystematiek. Dat voorkomt jaarlijkse belastingheffing over niet-gerealiseerde waardestijgingen van vastgoed. Tegelijk betekent dit niet dat vastgoed “buiten schot” blijft: huurinkomsten en andere reguliere voordelen blijven jaarlijks relevant.

Stand van zaken in de Eerste Kamer
Het wetsvoorstel is op 16 mei 2025 ingediend. Na behandeling in de Tweede Kamer ligt het dossier nu bij de Eerste Kamer. Op 12 juni 2026 is de nota naar aanleiding van het tweede verslag gepubliceerd. Daarna heeft de commissie Financiën het voorstel op 16 juni 2026 aangemeld voor plenaire behandeling.

De politieke vraag is daarmee niet meer alleen: “komt er een stelsel op basis van werkelijk rendement?”, maar vooral: “is dit hybride stelsel uitvoerbaar, begrijpelijk en juridisch houdbaar?” De Eerste Kamer stelde meer dan 500 vragen stelde over het wetsvoorstel, met als rode draad: juridische houdbaarheid, uitvoerbaarheid, liquiditeitsproblemen en de spanning tussen werkelijk rendement en forfaitaire elementen.

Adviespraktijk: begin niet pas in 2028
Voor adviseurs is het verstandig om cliënten met substantieel box 3-vermogen nu al voor te bereiden. Niet omdat de exacte wetgeving volledig vaststaat, maar omdat de relevante gegevens straks niet vanzelf uit de lucht komen vallen.

Denk aan jaarlijkse vastlegging van huurinkomsten, onderhoudskosten, financieringskosten, waarderingsgegevens, aankoopprijzen, verbouwingskosten en bewijsstukken rond gebruik of verhuur. Voor vastgoed wordt de openingswaarde per 2028 belangrijk. De WOZ-beschikking 2029 met waardepeildatum 1 januari 2028 is vooral van belang wanneer de woning later de vermogenswinstsfeer verlaat, bijvoorbeeld bij verkoop.

Ook bij familieconstructies, ouder-kindverhuur, tweede woningen en buitenlands vastgoed wordt de bewijspositie belangrijker. In de helpdesk-export komen juist deze onderwerpen terug. Dat is logisch: in het huidige stelsel zijn veel vragen nog te beantwoorden vanuit forfaits, fiscale partnerschapstoerekening en tegenbewijs. In het nieuwe stelsel verschuift het gesprek naar kasstromen, waardesprongen, kostenaftrek en realisatiemomenten.

Let op: werkelijk rendement is niet altijd eenvoudiger
Een belangrijk misverstand is dat “werkelijk rendement” automatisch eenvoudiger of eerlijker uitpakt. Voor spaarders kan dat intuïtief zo voelen. Voor vastgoedbezitters, beleggers met wisselende rendementen, families met onderlinge verhuur of belastingplichtigen met buitenlandse bezittingen kan het juist ingewikkelder worden.

De Eerste Kamer wijst ook op uitvoerbaarheid en er wordt gerekend op een lager aandeel vooraf ingevulde aangiften en dat veel belastingplichtigen zelf gegevens moeten aanleveren.

De kern voor de praktijk: box 3 wordt minder een “waarde op 1 januari”-dossier en meer een jaarlijks administratief dossier.

Praktische boodschap
De Wet werkelijk rendement box 3 is nog niet definitief, maar het dossier is concreet genoeg om in adviesgesprekken mee te nemen. Vooral bij box 3-vastgoed, verhuur binnen familieverhoudingen, buitenlandse onroerende zaken en grotere beleggingsportefeuilles is het raadzaam om nu al te werken aan dossiervorming.

De plenaire behandeling in de Eerste Kamer op 30 juni 2026 wordt daarmee een belangrijk ijkpunt. Tot die tijd blijft de boodschap aan cliënten genuanceerd: de invoering per 2028 is nog niet definitief, maar afwachten zonder voorbereiding is bij box 3 zelden de beste strategie.

Bron: Rijksoverheid

Modules & dossiers

Opvoerdatum

17 jun 2026

Laatst gewijzigd

17 jun 2026

Reacties

Er zijn (nog) geen reacties op dit artikel

Graag eerst inloggen om deze pagina te bekijken.

Permanent Actueel met Fintool?

Als professioneel financieel adviseur moet en wilt u bijblijven en dat het liefst in zo weinig mogelijk (kostbare) tijd. Dat kan nu met Fintool.nl! Meld u nu aan als abonnee en krijg toegang tot de Kennisbank, Rekenmodellen en Helpdesk.
Lees verder

Fintool bv © 2003/2026. Alle rechten voorbehouden.
Lees graag de leveringsvoorwaarden en het privacy reglement.

1
1