Er zijn meer dan 500 vragen gesteld over het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (36 748). De rode draad: juridische houdbaarheid, uitvoerbaarheid en liquiditeitsproblemen bij een heffing over (deels) ongerealiseerde waardestijgingen, plus stevige twijfel over een aantal forfaitaire elementen dat in het “werkelijk rendement”-verhaal is blijven zitten.
Eerste Kamer vuurt 500+ vragen af op Wet werkelijk rendement box 3: waar zit de pijn voor de adviespraktijk?
De Wet werkelijk rendement box 3 moet per 1 januari 2028 een einde maken aan het voortdurende box-3-juridische mijnenveld. Maar in het Verslag van de Eerste Kamer (7 april 2026) is duidelijk: de Senaat is nog lang niet “om”. De vragen zijn breed, maar laten zich groeperen in een paar dossiers die voor adviseurs nú al relevant zijn.
Uitvoerbaarheid: “64% vooraf ingevuld” is een forse stap terug
De commissie haalt de uitvoeringstoets nadrukkelijk aan: het aandeel vooraf ingevulde aangiften zou dalen van 85% (2022) naar 64% (2028). Daardoor zouden 1,4 miljoen burgers zelf gegevens moeten gaan aanleveren, en bij 40% van de box-3-plichtigen kan niet worden volstaan met vooraf ingevulde gegevens (met als reële verwachting: extra inzet van administratiekantoor/fiscalist). Praktijkimplicatie (advies & communicatie):
Liquiditeit en volatiliteit: belasting betalen over “papieren winst”
Meerdere fracties (o.a. BBB/VVD/CDA) zetten de spotlight op stressscenario’s: sterke koersschommelingen + gelijktijdige belastingheffing kan tot gedwongen verkoop leiden, zeker bij illiquide categorieën. Praktijkimplicatie:
Verliesverrekening en (de roep om) carry-back
De Senaat komt herhaaldelijk terug op de asymmetrie: wel direct heffen bij winst/aanwas, maar verliesverrekening die mogelijk te beperkt is. Er wordt expliciet gesproken over uitbreiding van verliesverrekening en achterwaartse verliesverrekening (carry-back) als reparatiepunt (ook in relatie tot een aangekondigde novelle/aanpassingstraject). Praktijkimplicatie:
Tweede woning/vakantiewoning: de vastgoedbijtelling als breekpunt
Opvallend scherp zijn de vragen over de vastgoedbijtelling (in de stukken expliciet genoemd als forfaitair element; o.a. “huurwaardeforfait-achtig”): een forfait van 3,35% op de WOZ-waarde, ook bij beperkt eigen gebruik of (gedeeltelijke) leegstand. De kritiek: dit kan structureel hoger uitpakken dan het werkelijke voordeel en daarmee proportionaliteits- en EVRM-risico geven, met mogelijk nieuwe bezwaarprocedures.
Daarnaast wordt gevraagd waarom voor woningen de WOZ-waarde als startwaarde per 1 januari 2028 geldt, terwijl voor “overig vastgoed” de waarde in het economisch verkeer wordt genoemd, en of dat geen ongerechtvaardigd verschil oplevert. Praktijkimplicatie (hier raakt box 3 wél jouw ‘woning’-praktijk):
Heffingsvrij vermogen wordt “heffingsvrij rendement” (€ 1.800 p.p.)
De Eerste Kamer signaleert dat de klassieke heffingsvrije som wordt vervangen door een heffingsvrij rendement van € 1.800 per persoon en dat dit in de praktijk “massaal verkeerd” begrepen kan worden—met risico op onrust en lagere belastingmoraal. Praktijkimplicatie:
Box-arbitrage: “vlucht naar box 2” blijft een schaduwthema
In het verslag komt (o.a. via GroenLinks-PvdA en andere fracties) het punt terug dat vermogenden kunnen uitwijken naar box 2-structuren en daarmee anders (vaak gunstiger / uitstelbaar) worden belast, wat spanning geeft met rechtvaardigheid en doelmatigheid. Praktijkimplicatie:
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99