MijnFintool

Nieuws

WWR box 3: EVRM, ‘papieren winst’ en de roep om carry-back verliesverrekening

De nieuwe Wet werkelijk rendement box 3 moet vanaf 2028 het forfait definitief vervangen. Maar juist het aanwasdeel (belasting over ongerealiseerde waardestijgingen) blijft politiek en juridisch het heetst: wanneer wordt belastingheffing zónder kasstroom een “individuele en buitensporige last” onder het EVRM? Kamervragen van Hoogeveen (JA21) en de Nota naar aanleiding van het tweede verslag geven een inkijk in waar de pijn zit – én waar het kabinet denkt te kunnen bijsturen.

Volgens Kamerstuk 36 748 van 27 april 2026 (Nota n.a.v. het tweede verslag) en Kamerbrief/Q&A 2026Z05634 van 20 maart 2026 wordt de discussie over de Wet werkelijk rendement box 3 (WWR) steeds meer gedomineerd door twee praktische vragen:

  • (1) liquiditeit bij belasting over “papieren” waardestijgingen en
  • (2) de juridische grens van de “individuele en buitensporige last” (art. 1 EP EVRM).

WWR box 3 in een notendop: aanwas als hoofdregel, winst bij verkoop voor vastgoed (en startups)
De WWR box 3 is ontworpen om per 1 januari 2028 te kunnen heffen op basis van werkelijk rendement (in plaats van forfaits). In de uitwerking is het vooral een vermogensaanwasbelasting: jaarlijks belasten van directe opbrengsten (rente/dividend/huur) én waardemutaties. Maar er zit een belangrijke hybride in: voor onroerende zaken (en bepaalde startup-aandelen) wordt juist een vermogenswinstregime toegepast (heffing bij verkoop/vervreemding), mede vanwege het illiquide karakter. In de Nota wordt dit hybride ontwerp ook expliciet neergezet als tussenstation: het kabinet wil “zo snel mogelijk na 2028” door naar een volledige vermogenswinstbelasting (VWB), maar vindt de stap naar werkelijk rendement per 2028 urgent.

De kern van de kritiek: belasting over waardestijging zónder kasstroom
De Kamervragen van het lid Hoogeveen (JA21) prikken precies in het meest gevoelige punt: hoe verhoudt een aanwasbelasting (belasting over ongerealiseerde waardestijgingen) zich tot het EVRM als iemand moet verkopen of lenen om de aanslag te betalen? Denk aan accumulating ETF’s, crypto, groeiaandelen zonder dividend, of belangen met lock-up. De staatssecretaris erkent het mechanisme (geen kasstroom → betalen uit andere liquiditeiten of door verkoop/lening), maar benadrukt drie lijnen:

  1. Stelseltoets vs. individuele toets
    In de MvT is vooral op stelselniveau getoetst aan de “fair balance”. De staatssecretaris stelt dat bij heffing op werkelijk rendement “vrijwel niet” aan een individuele buitensporige last wordt toegekomen, maar: het hangt altijd af van feiten en omstandigheden.
  2. “Interen” is niet beoogd, maar niet snel aan de orde (volgens kabinet)
    De staatssecretaris onderschrijft de HR-lijn dat een inkomensbelasting niet bedoeld is om meer dan 100% van het belastbare inkomen weg te nemen, waardoor interen nodig wordt. Tegelijk wordt het voorbeeld gegeven dat bij waardestijging van een portefeuille (100k → 115k) de belasting (36% na heffingsvrij resultaat) het vermogen nog steeds laat groeien.
  3. Verliesverrekening is de “veiligheidsklep” bij volatiliteit
    Een cruciaal punt in de Q&A is het scenario: jaar 1 flinke stijging, jaar 2 terugval vóór betaling → je betaalt over winst die later verdampt. Het kabinet wijst erop dat onder het voorstel een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening geldt en dat wordt verkend om achterwaartse verliesverrekening (carry-back) te introduceren (genoemd: vanaf 1 januari 2029, 1 jaar terug).

Wat betekent dit voor de praktijk?
Voor advisering is vooral relevant dat liquiditeitsrisico’s niet alleen “theoretisch” zijn bij cliënten met volatiele portefeuilles en beperkte cashbuffers. Het kabinet ziet het als beheersbaar (o.a. via betalingsregelingen en verliesverrekening), maar de politieke druk zit juist op de vraag of dit in extreme maar realistische situaties toch wringt met art. 1 EP EVRM.

Heffingsvrij resultaat: gunstig voor stabiel rendement, minder voor “pieken”
De Nota benoemt expliciet dat het heffingsvrije resultaat (in de stukken genoemd als € 1.800 per belastingplichtige; partners samen € 3.600) relatief gunstig uitpakt bij stabiele rendementen en minder bij belastingplichtigen met schommelingen. Bij een vermogensaanwasbelasting is het rendement doorgaans “gelijkmatiger” over jaren dan bij een winstbelasting (realisatie), waardoor kleine beleggers relatief meer profijt kunnen hebben van jaarlijks heffingsvrij resultaat.

Praktijkimplicatie: bij cliënten met incidentele grote realisaties of “boom-bust”-portefeuilles speelt niet alleen box 3-heffing, maar ook het effect op verzamelinkomen/toeslagen (dit punt wordt in de Nota als aandachtspunt genoemd).

Waarom kabinet vaart wil maken: asymmetrie van de tegenbewijsregeling kost geld én wringt
Een opvallend argument in de Nota: het huidige stelsel (forfaitair mét tegenbewijs) werkt asymmetrisch. In jaren met hoog werkelijk rendement betaal je maximaal over forfait; in jaren met laag rendement kun je via tegenbewijs omlaag. Dat leidt volgens het kabinet tot een structurele derving (in de Nota genoemd als circa € 2,4 miljard per jaar) en is in strijd met heffen naar draagkracht. Voor de nieuwsbrief is dit een belangrijk duidingspunt: “meer tijd nemen” klinkt aantrekkelijk, maar het kabinet positioneert uitstel als duur én principieel onwenselijk.

Vastgoed: vastgoedbijtelling (eigen gebruik), onderhoudskosten en startwaarde WOZ
Voor eigenaren van (tweede) woningen in box 3 springt uit de Nota vooral:

  • Vastgoedbijtelling: ook als er geen huurinkomsten zijn (bijv. tweede woning voor eigen gebruik), ziet het kabinet het “beschikbaar zijn voor gebruik” als inkomen in natura dat wordt benaderd via huurwaarde; daarom is het voordeel volgens het kabinet niet nihil.
  • Onderhoudskosten: in de Nota wordt aangegeven dat bij onroerende zaken het directe rendement (huur/vastgoedbijtelling) in de heffing komt, mét ruimte voor onderhoudskosten.
  • Startwaarde woningen per 1 januari 2028: beginwaarde voor woningen in box 3 wordt gesteld op de WOZ-waarde met waardepeildatum 1 januari 2028 (WOZ 2029), vooral vanwege eenvoud/herkenbaarheid.

Betalingsproblemen: kabinet verwacht niet méér (eerder minder) dan nu
In de Nota wordt verwezen naar onderzoek waaruit zou blijken dat slechts een klein deel van box 3-plichtigen een betalingsregeling nodig heeft (orde van grootte 0,4% in eerdere jaren), en dat betalingsregelingen ook onder het nieuwe stelsel beschikbaar blijven. Bovendien verwacht het kabinet bij illiquide categorieën (vastgoed/startups) juist minder liquiditeitsdruk omdat daar een winstregime geldt in plaats van jaarlijkse forfaitaire aanwas. Dit is precies waar de politieke spanning zit: macro “beperkt probleem” versus micro “in mijn casus wél”.

Modules & dossiers

Opvoerdatum

27 apr 2026

Laatst gewijzigd

30 apr 2026

Reacties

Er zijn (nog) geen reacties op dit artikel

Graag eerst inloggen om deze pagina te bekijken.

Permanent Actueel met Fintool?

Als professioneel financieel adviseur moet en wilt u bijblijven en dat het liefst in zo weinig mogelijk (kostbare) tijd. Dat kan nu met Fintool.nl! Meld u nu aan als abonnee en krijg toegang tot de Kennisbank, Rekenmodellen en Helpdesk.
Lees verder

Fintool bv © 2003/2026. Alle rechten voorbehouden.
Lees graag de leveringsvoorwaarden en het privacy reglement.

1
1