MijnFintool

Nieuws

Wet rechtsvermoeden uurtarief in Staatsblad; inwerkingtreding en definitief bedrag volgen nog

De Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief is gepubliceerd in het Staatsblad. Daarmee is de wet formeel tot stand gekomen, maar nog niet in werking getreden. De inwerkingtreding vindt plaats op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Voor de praktijk is bovendien belangrijk dat het in de wettekst opgenomen bedrag van € 36 per uur niet zonder meer het bedrag is waarmee straks gewerkt moet worden.

Wat regelt de wet?
Met de wet wordt na artikel 7:610a BW een nieuw artikel 7:610aa BW ingevoegd. De kern: wie voor een ander arbeid verricht tegen een beloning van ten hoogste een bepaald uurtarief, wordt vermoed die arbeid te verrichten krachtens arbeidsovereenkomst. Het gaat om een civielrechtelijk rechtsvermoeden. De werkende kan zich daarop beroepen; vervolgens is het aan de opdrachtgever/werkgevende om het vermoeden te weerleggen.

Het rechtsvermoeden is bedoeld om de positie van kwetsbare, laagbetaalde zelfstandigen te versterken en schijnzelfstandigheid tegen te gaan. Het is nadrukkelijk geen minimumtarief en ook geen “veiligheidsgrens” voor zelfstandigheid. Een tarief boven de grens betekent dus niet automatisch dat iemand zelfstandige is. De kwalificatie van de arbeidsrelatie blijft afhankelijk van de feiten en omstandigheden.

Niet van toepassing bij particuliere opdrachtgevers
Artikel 7:610aa BW geldt niet als de opdrachtgever een natuurlijke persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De particuliere opdrachtgever valt dus buiten dit nieuwe rechtsvermoeden.

Waarom staat er nog € 36?
In de Staatsbladtekst staat in artikel 7:610aa lid 1 nog een bedrag van € 36 per uur. Dat bedrag is gebaseerd op een niet-afgeronde rekengrondslag van € 35,43 per 1 januari 2025, afgerond naar boven op hele euro’s. De memorie van toelichting vermeldt dat deze grens is gebaseerd op 120% WML, vermeerderd met posten zoals vakantiegeld, pensioenpremie, werkgeverspremies en een correctie voor niet-facturabele uren.

Dat bedrag is dus historisch. De wet zelf bevat inmiddels een mechanisme voor aanpassing: het bedrag wordt gewijzigd volgens de systematiek van artikel 14, eerste en tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Daarbij wordt naar boven afgerond op hele euro’s en wordt voor de volgende wijziging uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.

Eerste toepassing: ministeriële regeling nodig
Een extra aandachtspunt staat in artikel III lid 2 van de wet: voor de eerste toepassing na inwerkingtreding wordt bij ministeriële regeling het toepasselijke bedrag vastgesteld. Dat is logisch, omdat het bedrag van € 36 inmiddels achterhaald is door de halfjaarlijkse WML-indexaties. De Eerste Kamer vermeldt bij het wetsvoorstel eveneens dat de wet in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en dat voor de eerste toepassing een ministeriële regeling het toepasselijke bedrag geeft.

Wordt het € 38 of € 39?
Op basis van de beschikbare stukken ligt € 38 het meest voor de hand. In een eerder Fintool-artikel is al gesignaleerd dat de Eerste Kamer voor 1 januari 2026 spreekt over een grens van minder dan € 38 per uur.

Per 1 juli 2026 bedraagt het wettelijk minimumuurloon voor werknemers van 21 jaar en ouder € 14,99. De Staatscourant vermeldt voor de indexatie per 1 juli 2026 een onafgerond aanpassingspercentage van 1,854% en een minimumuurloon van € 14,99 na wettelijke afronding.

Omdat artikel 7:610aa BW voorschrijft dat bij de wijziging wordt uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag, leidt een halfjaarlijkse indexatie niet automatisch tot afronding van € 38 naar € 39. Alleen als het niet-afgeronde bedrag boven € 38 uitkomt, zou de naar boven afgeronde grens € 39 worden. De systematiek in de toelichting laat juist zien dat het afgeronde bedrag bij een volgende indexatie ook gelijk kan blijven.

De redactionele conclusie is daarom: het bedrag in de Staatsbladtekst is nog € 36, maar voor toepassing bij inwerkingtreding moet worden gewacht op het koninklijk besluit én de ministeriële regeling. Op basis van de huidige gegevens lijkt € 38 waarschijnlijker dan € 39, maar het definitieve bedrag staat pas vast zodra de ministeriële regeling is gepubliceerd.

Bronnen: Staatsblad 2026, 158

Modules & dossiers

Opvoerdatum

06 jul 2026

Laatst gewijzigd

06 jul 2026

Reacties

Er zijn (nog) geen reacties op dit artikel

Graag eerst inloggen om deze pagina te bekijken.

Permanent Actueel met Fintool?

Als professioneel financieel adviseur moet en wilt u bijblijven en dat het liefst in zo weinig mogelijk (kostbare) tijd. Dat kan nu met Fintool.nl! Meld u nu aan als abonnee en krijg toegang tot de Kennisbank, Rekenmodellen en Helpdesk.
Lees verder

Fintool bv © 2003/2026. Alle rechten voorbehouden.
Lees graag de leveringsvoorwaarden en het privacy reglement.

1
1