MijnFintool

Nieuws

KG:202:2026:9 Zerobonds en box 3

Zerobonds – ook wel nulcouponobligaties genoemd – zijn obligaties die tijdens de looptijd geen rente uitkeren. Deze obligaties worden voor een prijs beneden de nominale waarde uitgegeven (onder pari). Vervolgens worden deze obligaties doorgaans aan het einde van de looptijd afgelost voor de nominale waarde (à pari). De korting die bij aankoop wordt verkregen, is vergelijkbaar met rente die pas aan het einde van de looptijd van de obligatie wordt uitgekeerd.

Vraag
Waaruit bestaat het werkelijke rendement van een zerobond onder de tegenbewijsregeling box 3?

Antwoord
Het werkelijke rendement van een zerobond onder de tegenbewijsregeling box 3 bestaat enkel uit vermogensaanwas. Hoewel het verschil tussen de uitgifteprijs en de nominale waarde van de zerobond kan worden vergeleken met rente die pas aan het einde van de looptijd wordt uitbetaald, is feitelijk geen sprake van rente. Daarmee is ook geen sprake van een regulier voordeel. Jaarlijks wordt de waardemutatie van de zerobond in aanmerking genomen als vermogensaanwas.

Beschouwing

Zerobond
Zoals hierboven beschreven keert een zerobond geen rente uit. Het voordeel dat te behalen valt met een zerobond zit in het verschil tussen de aankoopwaarde van de zerobond en de aflossing van de zerobond aan het einde van de looptijd. De waardeaangroei is het rendement dat wordt behaald met een zerobond.

Gedurende de looptijd fluctueert een zerobond in waarde. De waarde van de zerobond zal vanaf de uitgiftedatum stijgen richting de aflossingswaarde van de zerobond. Daarentegen kan de waarde ook fluctueren omdat de marktrente wijzigt. Een stijging van de marktrente zal de waarde van de zerobond laten dalen en omgekeerd. De beurskoers geeft de waarde van de zerobond aan het begin en aan het eind van het jaar weer.

Wet tegenbewijsregeling box 3
Op grond van artikel 5.25, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) kan een belastingplichtige aannemelijk maken dat het werkelijke rendement van zijn bezittingen en schulden lager is dan het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001. In dat geval wordt voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in afwijking van artikel 5.1 Wet IB 2001 uitgegaan van het werkelijke rendement van bezittingen en schulden verminderd met de persoonsgebonden aftrek.

NB: dezelfde tegenbewijsregeling geldt op grond van artikel 6a van de Wet rechtsherstel box 3 voor belastingplichtigen die in aanmerking komen voor rechtsherstel in box 3 voor de belastingjaren 2017 t/m 2022.

Artikel 5.26 Wet IB 2001 bepaalt dat het werkelijke rendement van de bezittingen en schulden het gezamenlijke bedrag van de reguliere voordelen en de vermogensaanwas is.

Reguliere voordelen
Op grond van artikel 5.27 Wet IB 2001 bestaan de reguliere voordelen onder andere uit rente, dividend, huur, etc. Wat wordt verstaan onder een regulier voordeel in het kader van de tegenbewijsregeling box 3 wordt nergens gedefinieerd. Op grond van artikel 5.26, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 gaat het om reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden. Tot de reguliere voordelen behoort onder andere de genoten rente (artikel 5.27, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001).

Het begrip ‘rente’ wordt in de Wet IB 2001 – evenals in de voorganger: de Wet op de inkomstenbelasting 1964 – niet gedefinieerd. Enkel in het kader van de renseignering is in artikel 22, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 een definitie van het begrip rente opgenomen. Rente wordt voor die bepaling gedefinieerd als hetgeen tussen de geldgever en de geldnemer is overeengekomen als vergoeding voor het gedurende de looptijd van de geldlening ter beschikking stellen van de hoofdsom (zie ook KG:202:2025:19).

Hoewel het verschil tussen de uitgifteprijs en de nominale waarde van de zerobond kan worden vergeleken met rente die pas aan het einde van de looptijd wordt uitbetaald, is feitelijk geen sprake van rente. Er is geen rente bedongen tussen de geldlener en geldgever. In het kader van de tegenbewijsregeling box 3 is er bij zerobonds dan ook geen sprake van een regulier voordeel.

Vermogensaanwas
Artikel 5.28 Wet IB 2001 bepaalt dat de vermogensaanwas van bezittingen en schulden bestaat uit het verschil tussen de waarde aan het einde van het kalenderjaar van het saldo van bezittingen en schulden en de waarde aan het begin van het kalenderjaar van het saldo van bezittingen en schulden, verminderd met de stortingen en vermeerderd met de onttrekkingen.

Voor de waardering van de bezittingen en schulden onder de tegenbewijsregeling box 3 wordt op grond van artikel 5.31, eerste lid, Wet IB 2001 in beginsel aangesloten bij de waarderingsbepalingen van afdeling 5.4 Wet IB 2001 en de daarop berustende bepalingen. Een uitzondering daarop is opgenomen in artikel 5.31, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001. Daarin is bepaald dat artikel 5.21 Wet IB 2001 niet wordt toegepast, indien ter zake van het betreffende effect sprake is van een lopende termijn van inkomsten of verplichtingen waarvan de waarde niet of niet volledig in de notering in de prijscourant is verdisconteerd.

Bij een zerobond is geen sprake is van een lopende termijn van inkomsten, aangezien geen sprake is van rente. Bovendien komt het effect van het overeenkomen van de uitsluiting van rente, juist tot uitdrukking in de beurswaarde van de zerobond. Voor de waardering van een zerobond wordt daarom aangesloten bij de in de prijscourant genoteerde beurskoers. Bij het ontbreken van een beurskoers zal de waarde in het economische verkeer van de zerobond moeten worden bepaald. Hierbij vormen de waarde bij uitgifte, de looptijd, de marktrente en nominale waarde van de zerobond indicatoren om de waarde aan het begin en aan het einde van het jaar te berekenen.

Jaarlijks wordt de waardemutatie van de zerobond in aanmerking genomen als vermogensaanwas. Het werkelijk rendement onder de tegenbewijsregeling box 3 van een zerobond bestaat dus enkel uit deze vermogensaanwas.

Volledigheidshalve wordt vermeld dat de aankoop van de zerobond niet leidt tot werkelijk rendement. De aankoop van de zerobond is namelijk tegelijkertijd een storting op grond van artikel 5.29, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 (een positieve waardemutatie die het directe gevolg is van het tot de bezittingen gaan behoren van een vermogensbestanddeel). Hetzelfde geldt voor de verkoop van de zerobond of aflossing van de zerobond aan het einde van de looptijd. Voor het bedrag van de verkoop of aflossing wordt namelijk op grond van artikel 5.30, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 een onttrekking in aanmerking genomen (een negatieve waardeontwikkeling die het directe gevolg is van het niet langer tot de bezittingen behoren van een bezitting). Op deze wijze wordt in het jaar van verkoop of aflossing enkel de waardemutatie van de zerobond in de periode van het begin van het kalenderjaar tot de verkoop- respectievelijk aflossingsdatum in aanmerking genomen als werkelijk rendement.

Bron: Belastingdienst

Modules & dossiers

Opvoerdatum

05 jun 2026

Laatst gewijzigd

05 jun 2026

Reacties

Er zijn (nog) geen reacties op dit artikel

Graag eerst inloggen om deze pagina te bekijken.

Permanent Actueel met Fintool?

Als professioneel financieel adviseur moet en wilt u bijblijven en dat het liefst in zo weinig mogelijk (kostbare) tijd. Dat kan nu met Fintool.nl! Meld u nu aan als abonnee en krijg toegang tot de Kennisbank, Rekenmodellen en Helpdesk.
Lees verder

Fintool bv © 2003/2026. Alle rechten voorbehouden.
Lees graag de leveringsvoorwaarden en het privacy reglement.

1
1