De kantonrechter Amsterdam heeft op 22 mei 2026 geoordeeld over een autofinanciering waarbij de kredietverstrekker de auto had ingenomen na een betalingsachterstand. De zaak is vooral interessant voor adviseurs omdat de rechter twee bepalingen uit de algemene voorwaarden ambtshalve als oneerlijk buiten toepassing laat. Het gevolg is fors: de consument krijgt schadevergoeding, de vordering van de kredietverstrekker op stallingskosten en restantlening wordt afgewezen én de BKR-registratie moet worden verwijderd.
Wat speelde er?
Een consument had een auto gefinancierd via RCI Financial Services B.V. Na betalingsproblemen is de auto ingenomen. RCI beriep zich daarbij op bepalingen in haar algemene voorwaarden. In artikel 7.2 stond dat RCI de kredietovereenkomst bij een betalingsachterstand per direct kon ontbinden. In artikel 9.2 stond dat de auto pas zou worden teruggegeven nadat niet alleen de achterstand, maar ook bijkomende kosten waren voldaan, zoals beslagkosten, revindicatiekosten en stallingskosten.
De kantonrechter toetste deze voorwaarden ambtshalve aan de Richtlijn oneerlijke bedingen. Daarbij is van belang dat de overeenkomst kwalificeert als consumentenovereenkomst en goederenkrediet.
Direct ontbinden mag niet
Volgens de kantonrechter wijkt het beding over directe ontbinding ten nadele van de consument af van artikel 7:82 BW. Die bepaling schrijft dwingendrechtelijk voor dat ontbinding van een kredietovereenkomst wegens tekortschieten van de consument in beginsel alleen door de rechter kan plaatsvinden, behoudens de uitzonderingssituatie van artikel 7:90 BW.
Een beding dat de kredietverstrekker de bevoegdheid geeft om bij betalingsachterstand zelf direct te ontbinden, is daarom in strijd met dwingend recht. De rechter verklaart het beding oneerlijk en laat het buiten toepassing.
Auto terug na betaling achterstand, zonder extra kosten
Ook het beding over teruggave van de auto sneuvelt. Artikel 7:95 BW bepaalt dat de kredietgever de zaak moet teruggeven als de kredietnemer binnen veertien dagen na afgifte het opeisbare achterstallige bedrag voldoet, inclusief vertragingsschade. RCI had echter bedongen dat de consument óók bijkomende kosten moest betalen, waaronder stallingskosten.
Dat gaat volgens de kantonrechter te ver. Ook dit beding wijkt ten nadele van de consument af van dwingend recht en is daarom oneerlijk. RCI kon zich er dus niet op beroepen.
Belangrijk is dat de rechter vervolgens niet terugvalt op de wettelijke regeling alsof het beding nooit had bestaan. Onder verwijzing naar Europese rechtspraak, waaronder Dexia en Gupfinger, overweegt de kantonrechter dat een gebruiker van een oneerlijk beding niet alsnog via de wettelijke regeling een vergelijkbaar resultaat mag bereiken. Wat partijen feitelijk hebben gedaan rond het ophalen van de auto, was daarom niet beslissend.
Schadevergoeding en BKR-verwijdering
Omdat RCI de auto na betaling van de achterstand niet zonder betaling van stallingskosten had teruggegeven, verkeerde RCI volgens de kantonrechter in schuldeisersverzuim. De consument kreeg de waarde van de auto toegewezen, € 7.350, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast werd € 2.816,76 aan schadevergoeding toegewezen voor onder meer vervangend vervoer, schorsingskosten en verzekering.
Ook de BKR-registratie moest worden verwijderd. De rechter oordeelde dat RCI de consument ten onrechte in het CKI van BKR had geregistreerd. RCI moet de registratie binnen vijf dagen na betekening verwijderen en verwijderd houden, op straffe van een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 25.000.
De reconventionele vorderingen van RCI, waaronder de stallingskosten en het restant van de lening, werden afgewezen.
Praktijkbelang voor adviseurs
Deze uitspraak laat zien dat bij consumptief krediet niet alleen de hoogte van de achterstand relevant is, maar ook de juridische basis waarop een kredietverstrekker handelt. Een contractueel beding dat afwijkt van dwingend consumentenrecht kan volledig buiten toepassing blijven. Dat kan gevolgen hebben voor:
Voor adviseurs is dit vooral relevant bij klanten die door een negatieve BKR-registratie worden belemmerd bij een hypotheekaanvraag. Niet iedere registratie is daarmee onjuist, maar deze uitspraak onderstreept dat de grondslag van de achterstand, opeising of ontbinding kritisch moet worden bekeken.Het artikel “Nietig opeisingsbeding” is inhoudelijk het meest verwant: daarin werd al besproken dat een opeisingsbeding bij betalingsachterstand in consumentenkrediet niet ruimer mag zijn dan artikel 7:77 BW toestaat en dat een vordering op zo’n ongeldige grondslag niet kan worden toegewezen.
Het artikel “Kredietverstrekker geen recht op rentevergoeding” ziet eveneens op oneerlijke bedingen in kredietovereenkomsten. Daar ging het om rentewijzigingsbedingen die niet transparant waren, waardoor de kredietverstrekker geen recht had op rente/kredietvergoeding.
Het artikel “BKR registratie 5 jaar wettelijke eis?” is relevant voor het BKR-deel van deze uitspraak. Daarin is besproken dat een kredietaanbieder zich niet uitsluitend achter de standaard bewaartermijn kan verschuilen, maar een concrete belangenafweging moet maken.
Bron: Rechtspraak
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99