Daarmee is het probleem niet alleen dat er te weinig woningen worden gebouwd. Ook het beschikbare geld komt niet volledig tot besteding. Volgens de Rekenkamer spelen daarbij bekende knelpunten: stikstof, netcongestie, onrendabele toppen, vertraging in planvorming en vergunningverlening en een tekort aan ambtelijke capaciteit. De minister kan die knelpunten volgens de Rekenkamer het beste in samenhang aanpakken.
Flexwoningen: snel alternatief, beperkte realisatie
Flexwoningen moesten juist een versnelling brengen. Het gaat meestal om kleine, fabrieksmatig gebouwde en verplaatsbare woningen die tijdelijk op een locatie staan, vaak voor circa 15 jaar. Ze zijn vooral bedoeld voor spoedzoekers, zoals studenten, statushouders en andere woningzoekenden die niet jaren kunnen wachten.
Ook hier blijven de resultaten achter. Sinds 2021 is € 948 miljoen beschikbaar gesteld om flexwoningen te stimuleren. De minister wilde toegroeien naar 15.000 flexwoningen per jaar en voor de periode 2022 tot en met 2024 werd eerder gesproken over 37.500 flexwoningen. Voor de meerjarige Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen was de verwachting dat deze in 2023 tot en met 2026 zou bijdragen aan 38.700 flexwoningen. Die doelstelling was echter vooral afgeleid van het beschikbare budget en de bijdrage per woning, niet van een onderbouwde analyse van behoefte, locaties of uitvoerbaarheid.
De feitelijke bijdrage van het beleid bleef aanzienlijk lager. Tussen 2022 en eind 2025 is met verschillende regelingen bijgedragen aan 17.665 flexwoningen. Daarvan kwamen 13.171 woningen via de SFT, 2.500 via Flexcities en 1.994 via de door het Rijksvastgoedbedrijf ingekochte flexwoningen. Volgens de Rekenkamer waren van deze 17.665 woningen 5.289 woningen al daadwerkelijk opgeleverd.
Ook de Algemene Rekenkamer vat het scherp samen: flexwoningen dragen wel bij aan de woningbouw, maar veel minder dan eerder verwacht. Het gevoerde beleid wordt daarom als “matig” beoordeeld.
Geld alleen lost het niet op
Een opvallend punt is de onderuitputting. Bij de SFT bleef in 2023 € 34,4 miljoen onbenut, in 2024 € 59,5 miljoen en in 2025 € 45,2 miljoen. Ook toen de rijksbijdrage per flexwoning in 2025 werd verhoogd naar € 14.000, nam het aantal aanvragen slechts beperkt toe. De Rekenkamer noemt als oorzaken onder meer het vinden van geschikte locaties, het rondkrijgen van de businesscase en onzekerheid over herplaatsing na afloop van de tijdelijke periode.
Dat maakt flexwoningen financieel kwetsbaar. De huurinkomsten over een tijdelijke exploitatieperiode zijn vaak onvoldoende om de kosten terug te verdienen. Bovendien is onzeker of een woning na afloop van de termijn elders kan worden geplaatst. Als herplaatsing niet lukt, blijft een woningcorporatie of andere investeerder met een financieel risico zitten.
Ook de door het Rijk ingekochte flexwoningen illustreren dat tempo niet vanzelf ontstaat. In 2022 kocht het Rijksvastgoedbedrijf 1.994 flexwoningen in. De verwachting was dat deze snel bewoond zouden zijn. De meeste zijn echter pas in 2025 geplaatst en 406 woningen waren in december 2025 nog niet geplaatst.
Terugkerend patroon: doel, geld, vertraging
De bevindingen passen in een breder patroon. Ook bij de Woningbouwimpuls concludeerde de Rekenkamer eerder dat financiële bijdragen niet automatisch leiden tot versnelling. Financiële tekorten zijn belangrijk, maar niet het enige knelpunt. Netcongestie, ruimtelijke afwegingen, personele capaciteit en procedures bepalen mede of een project daadwerkelijk van de grond komt.
Voor financieel adviseurs is vooral relevant dat de woningmarktproblematiek zich niet alleen vertaalt in schaarste en prijsdruk, maar ook in beleidsmatige onzekerheid. Starters, doorstromers en beleggers worden geconfronteerd met een markt waarin veel beleidsdoelen bestaan, maar de realisatie structureel achterblijft. Bij nieuwbouwprojecten kunnen vertragingen gevolgen hebben voor financieringstermijnen, renteaanbiedingen, overbruggingsfinanciering en de fiscale planning rond de eigen woning.
Daarnaast wijst de Rekenkamer op het grote budgettaire belang van fiscale eigenwoningregelingen. De fiscale behandeling van de eigen woning, waaronder hypotheekrenteaftrek, eigenwoningforfait en Wet Hillen, leidt volgens de Rekenkamer tot een grote belastingderving en is complex voor burgers en uitvoering. Het budgettaire belang van deze eigenwoningregelingen wordt genoemd op € 7,7 miljard in 2025.
Conclusie
De les uit het Rekenkamerrapport is dat woningbouwbeleid niet alleen op aantallen en budgetten kan worden beoordeeld. De jaarlijkse doelstelling van 100.000 woningen is opnieuw niet gehaald, terwijl ook flexwoningen minder snel en minder omvangrijk bijdragen dan verwacht. De kernvraag is daarmee niet alleen hoeveel geld beschikbaar wordt gesteld, maar vooral of locaties, vergunningen, netcapaciteit, businesscases en uitvoeringscapaciteit op tijd samenkomen.
Voor de adviespraktijk blijft het daarom zaak om bij nieuwbouw en flexibele woonvormen rekening te houden met vertraging, onzekerheid en wijzigend beleid. De ambitie is helder, maar de realisatie blijft vooralsnog achter.
Bron: Rekenkamer