Bankhelpdeskfraude is inmiddels een bekende fraudevorm: een oplichter doet zich voor als bankmedewerker en manipuleert de klant om “veiligheidsstappen” te zetten, waardoor de fraudeur juist toegang krijgt en geld wegsluist. De kernvraag in deze uitspraak: wanneer is het gedrag van het slachtoffer zó verwijtbaar dat sprake is van ‘grove nalatigheid’ (art. 7:529 BW), waardoor de bank niet (volledig) hoeft terug te betalen?
Deze uitspraak is extra relevant omdat de Commissie van Beroep expliciet aangeeft hiermee terug te komen van een eerdere lijn (o.a. uitspraak 2025-0012).
Feiten van de zaak
In deze zaak speelde (samengevat) het volgende:
Juridische vraag
De centrale juridische vraag is:
Is het slachtoffer “grof nalatig” geweest in de zin van art. 7:529 lid 1 BW (door schending van veiligheidsverplichtingen uit art. 7:524 BW), zodat de bank niet (volledig) hoeft terug te betalen? En daarmee samenhangend:
Uitspraak Commissie van Beroep
De nieuwe maatstaf voor “grove nalatigheid” bij bankhelpdeskfraude
De Commissie van Beroep formuleert heel scherp wat onder grove nalatigheid moet worden verstaan:
En dan volgt de (praktisch gezien) grote draai:
Omdat het kenmerk van bankhelpdeskfraude juist is dat een consument zó wordt gemanipuleerd dat hij denkt met een echte bankmedewerker te maken te hebben, is er “niet snel” sprake van grove nalatigheid. Het enkele schenden van veiligheidsverplichtingen (zoals het delen van een code) is niet automatisch grof nalatig; “daarvoor is meer nodig”.
De Commissie zegt er bovendien expliciet bij dat zij hiermee terugkomt van haar eerdere oordeel in 2025-0012.
Toepassing op deze zaak (bunq)
De bank stelde o.a.: de consument gaf haar code af ondanks waarschuwingen en koppelde een nieuw apparaat, dus grove nalatigheid.
De Commissie van Beroep gaat daar niet in mee. De kern: uit de feiten blijkt vooral manipulatie door een nep-bankmedewerker, maar niet dat de consument zich welbewust was van het frauderisico op dát moment.
Waarom krijgt de consument dan niet 100% terug?
Dit is een procedureel belangrijk punt: de bank ging in beroep, niet de consument. In beroep geldt bij Kifid de regel dat degene die beroep instelt niet slechter af mag zijn door de uitspraak in beroep (verbod van reformatio in peius). Daarom kan de Commissie van Beroep hier niet alsnog beslissen dat bunq méér moet betalen dan in de uitspraak van de Geschillencommissie al was toegewezen.
Dus: hoewel de Commissie van Beroep inhoudelijk zegt “dit is géén grove nalatigheid; in beginsel zou art. 7:528 BW tot volledige vergoeding leiden”, blijft het bij bevestiging van de eerdere toewijzing van € 35.367 (70,05%).
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99