Rechtbank Den Haag heeft beslist dat bij de uitleg van de termijn waarbinnen een verzoek tot (voorlopige) aanslag moet worden ingediend in artikel 30g, vierde lid, AWR de duidelijke wettekst leidend is, en niet een (niet eenduidige) passage uit de parlementaire toelichting.
In deze zaak draait het om een praktisch maar belangrijk punt bij nalatenschappen: wanneer voorkom je belastingrente bij erfbelasting door tijdig een verzoek om een (voorlopige) aanslag te doen? De inspecteur bracht € 4.211 belastingrente in rekening bij een voorlopige aanslag erfbelasting. De erfgename vond dat onterecht, omdat haar verzoek volgens de wet binnen de rente-vrije termijn was ontvangen. De kernvraag werd daarmee: hoe lees je “vóór de eerste dag van de negende maand na het overlijden” in art. 30g lid 4 AWR?
Feiten van de zaak
Juridische vraag
Moet “vóór de eerste dag van de negende maand na het overlijden” worden uitgelegd als:
De uitkomst bepaalt of belastingrente mag worden berekend.
Uitspraak van de rechtbank
Wettekst is duidelijk → taalkundige uitleg wint
De rechtbank zegt: de tekst is helder. Taalkundig betekent:
“de eerste dag van de negende maand na het overlijden” = de eerste dag van de negende maand die volgt op de maand waarin het overlijden plaatsvond.
En: als de wetgever “acht maanden na overlijden” had bedoeld, had hij dat ook zo kunnen opschrijven (zoals in art. 45 SW, waar “acht maanden na het overlijden” wél letterlijk zo staat).
Parlementaire toelichting niet dwingend
De inspecteur beriep zich op een passage uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken 35 303, nr. 3) waarin wordt gesuggereerd dat het “binnen de aangiftetermijn” zou zijn.
Maar de rechtbank vindt:
Gevolg: belastingrente vernietigd
Omdat het verzoek volgens de rechtbank tijdig was, is de belastingrente ten onrechte berekend. De rechtbank:
Bron: Rechtspraak
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99