Op 27 maart 2026 heeft de Hoge Raad een prejudiciële beslissing genomen over een vraag die in de box-3-herstelpraktijk vaak “ineens” opduikt: kunnen fiscale partners hun box-3-verdeling (de onderlinge verhouding/toerekening) nog wijzigen als de aanslag onherroepelijk is geworden door een collectieve uitspraak op bezwaar in de massaalbezwaarprocedure?
De inzet is praktisch: bij rechtsherstel (naar aanleiding van het Kerstarrest) wordt een nieuwe box-3-berekening gemaakt. Maar die berekening kan sterk afhangen van de partnerverdeling. Als je pas ná de vermindering goed ziet wat het effect is, wil je mogelijk alsnog schuiven.
Feiten van de zaak
In hoofdlijnen speelde het volgende:
Juridische vraag
De kernvraag was: bestaat (en zo ja: tot wanneer) het recht om de partnerverdeling te wijzigen wanneer:
Uitspraak van het Hof (Hoge Raad) – samenvatting en overwegingen
Antwoord: ja, wijziging kan alsnog
De Hoge Raad kiest voor een redelijke wetstoepassing: het zou niet logisch zijn dat belastingplichtigen in een massaalbezwaarprocedure minder gelegenheid hebben om hun toerekening te herzien dan belastingplichtigen die via een individuele procedure bij de Hoge Raad uitkomen.
Waarom is dit nodig?
Bij een strikte lezing zou het systeem ertoe leiden dat, doordat de collectieve uitspraak de aanslag “onherroepelijk maakt” voor het aangewezen deel, partners hun wijzigingsmogelijkheid kwijt zijn, terwijl de wetgever bij de aanpassing van de massaalbezwaarprocedure (vanaf 2016) kennelijk geen rekening heeft gehouden met dit effect.
De beslissende termijn: 6 weken ná de individuele vermindering
De Hoge Raad legt de termijn praktisch vast:
Belangrijke afbakening: ambtshalve vermindering geeft géén “tweede kans”
Na die termijn kan men nog wel om ambtshalve vermindering vragen, maar dat opent niet opnieuw de mogelijkheid om de partnerverdeling via art. 2.17 lid 4 Wet IB 2001 te wijzigen.
Bron: Rechtspraak
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99