Steeds meer huiseigenaren verhuren (een deel van) hun woning tijdelijk via platforms als Airbnb. Fiscaal wringt het daar vaak op één kernpunt: vallen de huurinkomsten onder de eigenwoningregeling (box 1) met de “70%-bijtelling” van artikel 3.113 Wet IB 2001, of gaat het om iets anders (bijv. box 3 of resultaat uit overige werkzaamheden)?
In ECLI:NL:GHAMS:2024:1325 stond precies die vraag centraal voor een aangebouwd gastenverblijf dat regelmatig kort werd verhuurd. Het Hof Amsterdam oordeelde dat het gastenverblijf een aanhorigheid is en bovendien (anders dan tijdelijk) ter beschikking blijft staan aan de eigenaren, waardoor artikel 3.113 Wet IB 2001 wél geldt: 70% van het netto verhuurvoordeel wordt belast in box 1. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand met een verkorte motivering op grond van artikel 81 RO (cassatie ongegrond).
Feiten van de zaak
De belangrijkste feiten op een rij:
Juridische vraag
De centrale vraag was:
Is het via Airbnb verhuurde gastenverblijf (als bestanddeel/aanhorigheid) onderdeel van de eigen woning en stond het de eigenaar “anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking”, zodat artikel 3.113 Wet IB 2001 van toepassing is en 70% van het verhuurvoordeel in box 1 belast wordt? Daaronder hangen twee deelvragen:
Uitspraak van het Hof
Aanhorigheid: “bij de woning horen, in gebruik, dienstbaar”
De rechtbank (en het Hof sluit zich daarbij aan) grijpt terug op de klassieke definitie van aanhorigheid: een gebouw dat bij de woning behoort, daarbij in gebruik is en daaraan dienstbaar is. In dit geval woog mee dat het gastenverblijf:
Daarom: minstens aanhorigheid (en mogelijk zelfs bestanddeel).
“Ter beschikking” betekent: kunnen beschikken, niet per se zelf gebruiken
Een belangrijk praktisch punt: de eigenaar zei “wij gebruiken het zelf niet”. De rechtbank maakt daar korte metten mee:
Dit is precies het Airbnb-element: zolang je als eigenaar de regie hebt (je kunt boekingen weigeren/aanvaarden), staat het object buiten de verhuurperiodes in principe weer tot je beschikking.
“Tijdelijke” verhuur: telkens zekerheid dat het snel terugkomt
Voor de kwalificatie “tijdelijke terbeschikkingstelling” gebruikt de rechtbank een vaste toets uit oudere HR-jurisprudentie: het gaat erom of er zekerheid bestaat dat de woning op korte termijn weer ter beschikking van de eigenaar komt. In deze zaak:
Dat is voldoende voor “tijdelijk” in de zin van artikel 3.113 Wet IB 2001.
Gevolg: 70%-regeling van toepassing (en kosten pro rata)
Omdat de tijdelijke-verhuurregeling geldt, wordt het eigenwoningforfait verhoogd met 70% van het voordeel uit terbeschikkingstelling. De rechtbank corrigeerde nog dat ook 70% van de kosten aftrekbaar was, waardoor de aanslag iets omlaag ging.
Hof bevestigt (en onderscheidt Den Bosch 2016)
Het Hof Amsterdam neemt de overwegingen van de rechtbank over en benadrukt dat dit geval verschilt van de door belanghebbende aangehaalde zaak bij Hof ’s-Hertogenbosch: dáár stond de B&B-ruimte (naar het Hof begrijpt) uitsluitend ter beschikking van de huurder, terwijl hier de woning/eigenaren de beschikkingsmacht hielden tussen de verhuurperiodes.
Praktische tips (absoluut praktijkrelevant)
Impact voor financieel adviseurs
Waarom dit advies-relevant is
Airbnb-verhuur is zelden een “los fiscaal dingetje”. Het raakt vaak:
Wat verandert (of wordt bevestigd) door deze uitspraak
De uitspraak bevestigt een streng maar helder uitgangspunt:
Voor adviseurs betekent dit: wees voorzichtig met aannames als een klant denkt “het is apart dus het zal wel box 3 zijn”. Deze casus laat zien dat die redenering vaak niet opgaat.
Praktisch adviesgesprek: de drie checkvragen
In het klantgesprek kun je bijna altijd met deze drie vragen de juiste fiscale route “voor-sorteren”:
Als de antwoorden richting “ja” gaan, is het box-1/3.113-scenario waarschijnlijk.
Bron: Rechtspraak ECLI:NL:GHAMS:2024:1325 en ECLI:NL:HR:2026:744
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99