MijnFintool

Nieuws

Afkoop kleine lijfrente: niet-afgetrokken premies moeten aantoonbaar zijn

Wie bij de afkoop van een lijfrente wil voorkomen dat ook niet eerder afgetrokken premies worden belast, moet kunnen aantonen dat die premies daadwerkelijk niet in aftrek zijn gekomen. Alleen een oude aangifte of een eigen verklaring hoeft daarvoor niet voldoende te zijn. Dat blijkt uit een uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 september 2026.

Ook de aftrek van advieskosten strandde. Niet aannemelijk was gemaakt dat deze kosten waren gemaakt voor de verwerving van de afkoopsom.

Afkoop van € 2.765
Belanghebbende had in 1999 een lijfrenteverzekering afgesloten. In de jaren 1999 tot en met 2002 was in totaal € 2.854,30 aan premies betaald. In april 2002 werd de verzekering premievrij gemaakt. In 2020 werd de lijfrente afgekocht. De afkoopsom bedroeg € 2.765. De verzekeraar hield hierop € 1.032,73 loonheffing in. Omdat de waarde van de lijfrente bij afkoop in 2020 niet hoger was dan de toenmalige wettelijke grens van € 4.475, was sprake van de regeling voor de afkoop van een kleine lijfrente. De afkoopsom wordt dan niet behandeld als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, maar als een termijn van lijfrente en daarmee als een belastbare periodieke uitkering in box 1. Dat neemt echter niet weg dat de saldomethode een rol kan spelen wanneer in het verleden premies zijn betaald die niet fiscaal in aftrek zijn gekomen.

Niet-afgetrokken premies verminderen de belaste uitkering
Artikel 3.107a Wet IB 2001 bepaalt, kort gezegd, dat bij het vaststellen van de belastbare periodieke uitkering rekening wordt gehouden met betaalde premies waarvan de belastingplichtige aannemelijk maakt dat deze niet als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen. Daar zit in deze zaak de crux: de belastingplichtige moet aannemelijk maken dat de premie niet is afgetrokken. Voor de premie uit 1999 lukte dat uiteindelijk wel. Tijdens de procedure werd door de Belastingdienst een Verklaring niet-afgetrokken premies, ook wel saldoverklaring genoemd, afgegeven voor € 169. De rechtbank verminderde daarom het belastbare inkomen met dit bedrag. Voor de premies uit 2000, 2001 en 2002 liep het anders.

Aangifte alleen niet voldoende
Voor 2000 had belanghebbende zijn aangifte IB/PVV overgelegd. Daaruit kon worden afgeleid dat in die aangifte geen lijfrentepremie in aftrek was gebracht. Toch vond het hof dit niet voldoende. De bijbehorende definitieve aanslag was namelijk niet overgelegd. Daarmee stond volgens het hof niet voldoende vast hoe de belastingheffing over dat jaar uiteindelijk had plaatsgevonden. Voor 2001 en 2002 waren noch de aangiften noch de aanslagen beschikbaar. Belanghebbende had alleen schriftelijk verklaard dat de premies niet waren afgetrokken. Ook dat was onvoldoende bewijs.

Dat de stukken na zoveel jaren niet meer beschikbaar waren, kwam volgens het hof voor rekening van de belastingplichtige. Het hof kon de aanslag evenmin ambtshalve of met toepassing van de hardheidsclausule verminderen.

Praktijkpunt: bewijspositie al vóór afkoop onderzoeken
De uitspraak is vooral relevant voor oudere lijfrentepolissen. Bij een polis waarop twintig of dertig jaar geleden premies zijn betaald, kan achteraf discussie ontstaan over de vraag welke premies daadwerkelijk fiscaal zijn afgetrokken. Dat kan juist bij relatief kleine afkoopsommen een groot verschil maken. Voor de adviespraktijk ligt daarom voor de hand om vóór een afkoop na te gaan:

  • in welke jaren premies of koopsommen zijn betaald;
  • of deze bedragen destijds voor aftrek in aanmerking kwamen;
  • of aangiften én definitieve aanslagen nog beschikbaar zijn;
  • en of zo nodig bij de Belastingdienst een saldoverklaring kan worden verkregen.

De uitspraak laat zien dat alleen de constatering dat een premie niet in een oude aangifte voorkomt, niet noodzakelijk voldoende is.

Advieskosten van € 1.108 niet aftrekbaar
Belanghebbende wilde daarnaast € 1.108 aan advieskosten aftrekken. Artikel 3.108 Wet IB 2001 biedt aftrek voor kosten die drukken op periodieke uitkeringen, voor zover deze zijn gemaakt tot verwerving, inning of behoud van die uitkeringen en de totale kosten niet hoger zijn dan gebruikelijk. Volgens belanghebbende waren de kosten gemaakt om de afkoopsom te verwerven. De inspecteur betwistte dit. Voor het aanvragen van de afkoop was volgens hem geen advies noodzakelijk. De werkzaamheden van de adviseur zouden vooral betrekking hebben gehad op de fiscale afwikkeling van de ontvangen afkoopsom. Het hof vond dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de € 1.108 daadwerkelijk was uitgegeven voor het verwerven van de afkoopsom. De aftrek werd daarom geweigerd.

Niet alle kosten rond een lijfrente zijn hetzelfde
Dit oordeel moet worden onderscheiden van situaties waarin bemiddelingskosten wel rechtstreeks samenhangen met het verkrijgen van periodieke lijfrente-uitkeringen. De Belastingdienst heeft bijvoorbeeld eerder het standpunt ingenomen dat bepaalde bemiddelingskosten voor het tot stand brengen van een direct ingaande lijfrente uit een reeds bestaand lijfrentecontract op grond van artikel 3.108 Wet IB 2001 aftrekbaar kunnen zijn. Doorslaggevend is dus niet uitsluitend dat een adviseur kosten in rekening brengt, maar waarvoor die kosten concreet worden gemaakt. Voor de praktijk verdient het daarom aanbeveling om op de factuur en in het adviesdossier onderscheid te maken tussen bijvoorbeeld:

advies;

bemiddeling voor het verkrijgen van een uitkering;

administratieve afwikkeling;

en fiscaal advies over de verwerking van een reeds ontvangen uitkering.

Die specificatie kan bij een latere discussie over artikel 3.108 Wet IB 2001 belangrijk bewijs opleveren.

Conclusie
Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Van de oude premies kon alleen het bedrag van € 169 waarvoor een saldoverklaring beschikbaar was in aanmerking worden genomen. Voor de premies uit 2000 tot en met 2002 was onvoldoende aangetoond dat deze niet eerder waren afgetrokken. Ook de advieskosten van € 1.108 waren niet aftrekbaar, omdat onvoldoende was aangetoond dat zij waren gemaakt voor de verwerving van de afkoopsom. De praktische boodschap is duidelijk: bij oude lijfrenten is de historische fiscale administratie bepalend. Wie een beroep wil doen op de saldomethode, moet de niet-genoten premieaftrek kunnen onderbouwen. En wie kosten op een lijfrente-uitkering wil aftrekken, moet kunnen laten zien dat deze rechtstreeks zijn gemaakt voor verwerving, inning of behoud van die uitkering.

Bron: Rechtspraak

Modules & dossiers

Opvoerdatum

08 okt 2026

Laatst gewijzigd

11 okt 2026

Reacties

Er zijn (nog) geen reacties op dit artikel

Graag eerst inloggen om deze pagina te bekijken.

Professionele onderbouwing van jouw klantdossier

Combineer de snelheid van onze specifiek op Nederlandse wet- en regelgeving getrainde AI met de diepgaande expertise van vakspecialisten. Fintool biedt de zekerheid van een altijd vakkundig onderbouwd dossier.
Lees verder

Fintool bv © 2003/2026. Alle rechten voorbehouden.
Lees graag de leveringsvoorwaarden en het privacy reglement.

1
1