Het kabinet werkt aan een nieuwe Zelfstandigenwet. Doel is om zelfstandigen en opdrachtgevers vooraf meer zekerheid te geven over de vraag wanneer buiten dienstbetrekking kan worden gewerkt. Daarmee loopt dit traject naast de al aangenomen Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief, die op 31 december 2026 in werking treedt.
Dat onderscheid is belangrijk. Het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief geeft vooral een civielrechtelijk instrument aan de werkende: bij een beloning onder de tariefgrens wordt vermoed dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, waarna de opdrachtgever/werkgevende dat vermoeden moet weerleggen. De Zelfstandigenwet kiest een andere insteek: een vooraf toetsbaar kader waarmee duidelijk moet worden wanneer in ieder geval géén sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Volgens de Kamerbrief van 10 september 2026 wil het kabinet met de Zelfstandigenwet “duidelijke spelregels vooraf” creëren. Wie conform die spelregels werkt, moet zekerheid krijgen dat als zelfstandige kan worden gewerkt. Het kabinet noemt dit een “veilige haven”. Daarmee moet zowel schijnzelfstandigheid worden tegengegaan als risicomijdend gedrag bij opdrachtgevers worden verminderd.
De wet wordt uitgewerkt aan de hand van twee toetsen. De eerste is de zelfstandigentoets. Die ziet op de persoon van de zelfstandige zelf. Denk daarbij aan de vraag of iemand daadwerkelijk als ondernemer optreedt, ondernemersrisico draagt en de verantwoordelijkheid neemt voor de risico’s die bij zelfstandig werken horen. De tweede is de werkrelatietoets. Die ziet op de concrete opdrachtrelatie: is er voldoende vrijheid, onafhankelijkheid en ontbreekt gezag binnen de opdracht?
Opvallend is dat de Zelfstandigenwet wordt gepositioneerd als voortzetting van de kern van het eerdere initiatief van VVD, D66, CDA en SGP. De toetsingscommissie en sectorale rechtsvermoedens maken volgens de Kamerbrief geen onderdeel uit van de Zelfstandigenwet. Het kabinet kiest eerst voor duidelijke algemene spelregels.
Voor de praktijk blijft het verwarrend dat er nu twee sporen naast elkaar lopen. Spoor één is de Wet rechtsvermoeden uurtarief, die al in het Staatsblad staat en per 31 december 2026 in werking treedt. Spoor twee is de nieuwe Zelfstandigenwet, waarvan de behandeling in Tweede en Eerste Kamer is voorzien in 2027, met beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2028.
Daarmee lijkt de Zelfstandigenwet niet vóór de start van het rechtsvermoeden in werking te kunnen treden. Onduidelijk blijft hoe lang beide regimes naast elkaar zullen bestaan en op welk moment de Zelfstandigenwet het rechtsvermoeden eventueel zal vervangen of aanvullen. In de Kamerbrief wordt wel een planning gegeven, maar geen uitgewerkte overgangsregeling tussen beide trajecten.
Eind september wil het kabinet het wetsvoorstel aanbieden voor uitvoeringstoetsen. Tegelijkertijd start een tweede internetconsultatie en vindt opnieuw toetsing door het Adviescollege toetsing regeldruk plaats. Daarna wil het kabinet het voorstel zo spoedig mogelijk naar de Raad van State sturen.
Voor adviseurs en opdrachtgevers is de praktische boodschap voorlopig: wacht niet uitsluitend op nieuwe wetgeving. Beoordeel bestaande zzp-relaties nu al op tarief, gezag, inbedding, ondernemersrisico, zelfstandige profilering en feitelijke uitvoering. Een goed contract helpt, maar de praktijk blijft doorslaggevend. Zeker bij tarieven rond de rechtsvermoedengrens en bij langdurige of sterk ingebedde opdrachten blijft herbeoordeling noodzakelijk.
Redactionele duiding
De Zelfstandigenwet is géén andere naam voor het rechtsvermoeden uurtarief. Het is een nieuw traject dat juist een breder en vooraf toetsbaar kader moet bieden voor situaties waarin zelfstandig werken mogelijk is. Het rechtsvermoeden beschermt vooral de laagbetaalde werkende achteraf; de Zelfstandigenwet moet vooraf duidelijkheid geven aan zelfstandige én opdrachtgever.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99