Deze zaak draait om de vraag wanneer je tóch het 2%-tarief overdrachtsbelasting mag toepassen als je een woning na aankoop uiteindelijk niet als hoofdverblijf gaat gebruiken.
Bij de aankoop van een woning door een natuurlijk persoon geldt in beginsel 8% overdrachtsbelasting, maar onder voorwaarden kan het verlaagde tarief van 2% gelden als de koper de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken én dat vooraf verklaart (art. 14 lid 2 Wbr). In de praktijk gaat het soms mis: je tekent/koopt met de intentie om er te gaan wonen, maar omstandigheden veranderen vóór of kort na levering.
In deze uitspraak staat centraal of het “tegenkomen van een droomwoning” (en financieringsgedoe) zo’n onvoorziene omstandigheid is die de (minimale) zelfbewoningsverwachting kan doorbreken, zodat je toch het 2%-tarief behoudt.
Feiten van de zaak
De tijdlijn is (kort) als volgt:
De kopers stellen dat ze woning 1 wel zouden zijn gaan bewonen, maar dat ze onverwacht hun droomwoning vonden en (tegen verwachting) de financiering rond kregen.
Juridische vraag
De centrale vraag is:
Is het verlaagde tarief van 2% (art. 14 lid 2 Wbr) van toepassing op woning 1, ondanks dat de woning nooit is bewoond, omdat sprake zou zijn van “onvoorziene omstandigheden” in de zin van art. 15a lid 4 Wbr?
Uitspraak van het hof
1 Kern: droomwoning is géén onvoorziene omstandigheid
Het hof oordeelt dat:
Gevolg: de inspecteur heeft terecht nageheven; het 2%-tarief is niet van toepassing op woning 1.
2. Let op: hoger beroep toch (deels) “gegrond” door waardecorrectie
Opvallend detail: het hoger beroep is gegrond omdat partijen later overeenstemming bereiken over de waarde/maatstaf van heffing ten tijde van de verkrijging van woning 1 (niet langer € 528.000 maar € 510.000). Daardoor dalen de naheffingsaanslagen (maar het 8%-tarief blijft uitgangspunt).
Praktisch lees je dit dus als: inhoudelijk verliest de belastingplichtige op het 2%-punt, maar wint op de waarderingsdiscussie.
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99