Het Hof Den Haag heeft geoordeeld dat een koper van een recreatiewoning niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de woning “anders dan tijdelijk als hoofdverblijf” is gaan gebruiken. Daardoor blijft het algemene tarief overdrachtsbelasting (10,4%) van toepassing en geldt het 2%-tarief niet.
Inleiding
De zaak draait om een vraag die in de praktijk (zeker bij recreatieparken en “wonen waar het officieel niet mag”) vaak terugkomt: wanneer is een woning écht je hoofdverblijf voor het 2%-tarief overdrachtsbelasting? Het Hof benadrukt dat het niet gaat om wat iemand “voelt” of “van plan is”, maar om objectieve feiten die laten zien dat de woning de centrale levensplaats is.
Feiten van de zaak
De belangrijkste feiten op een rij:
Juridische vraag
De centrale vraag is:
Heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat zij de recreatiewoning na de verkrijging “anders dan tijdelijk als hoofdverblijf” is gaan gebruiken, zodat het 2%-tarief van art. 14 lid 2 WBR geldt?
Uitspraak van het hof
Juridisch kader (kort)
Bewijslast: bij de koper
Het Hof stelt voorop dat de bewijslast bij degene ligt die het 2%-tarief wil. Het gaat om vrije bewijsleer: je mag allerlei bewijsmiddelen gebruiken, maar de rechter beoordeelt de overtuigingskracht.
Waarom geen hoofdverblijf aannemelijk?
De vrouw voerde o.a. aan: 5 dagen per week daar verblijven, boodschappen in de buurt, sociale contacten, betrokkenheid bij parkcoöperatie, pintransacties. Het Hof (in lijn met de rechtbank) vond dit onvoldoende, vooral omdat:
Slotsom
Hoger beroep ongegrond: geen 2%-tarief, 10,4% blijft staan.
Bron: Rechtspraak
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99