MijnFintool

Nieuws

Overdrachtsbelastingtarief voor recreatiewoning 10,4% en geen 2% ondanks hoofdverblijf

Het Hof Den Haag heeft geoordeeld dat een koper van een recreatiewoning niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de woning “anders dan tijdelijk als hoofdverblijf” is gaan gebruiken. Daardoor blijft het algemene tarief overdrachtsbelasting (10,4%) van toepassing en geldt het 2%-tarief niet.

 

Inleiding
De zaak draait om een vraag die in de praktijk (zeker bij recreatieparken en “wonen waar het officieel niet mag”) vaak terugkomt: wanneer is een woning écht je hoofdverblijf voor het 2%-tarief overdrachtsbelasting? Het Hof benadrukt dat het niet gaat om wat iemand “voelt” of “van plan is”, maar om objectieve feiten die laten zien dat de woning de centrale levensplaats is.

Feiten van de zaak
De belangrijkste feiten op een rij:

  • De vrouw huurt sinds 1 november 2022 een kamer in [woonplaats 1].
  • Op 26 januari 2024 koopt zij een recreatiewoning voor € 100.000.
  • In de leveringsakte staat expliciet:
    • gebruik uitsluitend recreatief;
    • permanente bewoning niet toegestaan;
    • inschrijving op dat adres in de BRP is niet mogelijk.
  • Zij ondertekent wél een “Verklaring Overdrachtsbelasting Laag tarief” (dat zij de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken).
  • Zij voldoet bij aankoop € 10.400 overdrachtsbelasting (10,4%) en vraagt later feitelijk toepassing van 2% (teruggaaf van € 8.400).

Juridische vraag
De centrale vraag is:

Heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat zij de recreatiewoning na de verkrijging “anders dan tijdelijk als hoofdverblijf” is gaan gebruiken, zodat het 2%-tarief van art. 14 lid 2 WBR geldt?

Uitspraak van het hof

Juridisch kader (kort)

  • Hoofdregel: overdrachtsbelasting 10,4%.
  • Uitzondering: 2% bij verkrijging van een woning door een natuurlijk persoon als die de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken én dat vooraf schriftelijk verklaart.
  • “Hoofdverblijf” = centrale levensplaats / middelpunt van persoonlijke en economische belangen; iemand kan maar één hoofdverblijf hebben.

Bewijslast: bij de koper
Het Hof stelt voorop dat de bewijslast bij degene ligt die het 2%-tarief wil. Het gaat om vrije bewijsleer: je mag allerlei bewijsmiddelen gebruiken, maar de rechter beoordeelt de overtuigingskracht.

Waarom geen hoofdverblijf aannemelijk?
De vrouw voerde o.a. aan: 5 dagen per week daar verblijven, boodschappen in de buurt, sociale contacten, betrokkenheid bij parkcoöperatie, pintransacties. Het Hof (in lijn met de rechtbank) vond dit onvoldoende, vooral omdat:

  • Pintransacties: voornamelijk kleine uitgaven in het weekend, wat eerder wijst op recreatief gebruik dan op doordeweeks wonen.
  • Coöperatie/parkbetrokkenheid: dit zegt weinig over hoofdverblijf; die rechten/plichten gelden voor (veel) eigenaren, terwijl permanente bewoning toch niet mag.
  • Zij hield haar gehuurde woonruimte aan, deed daar vrijwilligerswerk en zag daar kinderen en kleinkinderen: dat wijst eerder op het “echte” zwaartepunt elders.
  • Haar verklaring dat zij “langzaam haar leven aan het opbouwen is” rond de recreatiewoning helpt niet: overdrachtsbelasting is een tijdstipbelasting (beslissend is het gebruik na verkrijging, op basis van feiten).

Slotsom
Hoger beroep ongegrond: geen 2%-tarief, 10,4% blijft staan.

Bron: Rechtspraak

Modules & dossiers

Opvoerdatum

12 mrt 2026

Laatst gewijzigd

13 mrt 2026

Reacties

Er zijn (nog) geen reacties op dit artikel

Graag eerst inloggen om deze pagina te bekijken.

Permanent Actueel met Fintool?

Als professioneel financieel adviseur moet en wilt u bijblijven en dat het liefst in zo weinig mogelijk (kostbare) tijd. Dat kan nu met Fintool.nl! Meld u nu aan als abonnee en krijg toegang tot de Kennisbank, Rekenmodellen en Helpdesk.
Lees verder

Fintool bv © 2003/2026. Alle rechten voorbehouden.
Lees graag de leveringsvoorwaarden en het privacy reglement.

1
1