MijnFintool

Nieuws

Eerste Kamer zet druk op kabinet: toekomst box 3 moet snel duidelijk worden

De onzekerheid over het toekomstige box 3-stelsel neemt opnieuw toe. Het kabinet heeft de Eerste Kamer gevraagd de behandeling van de Wet werkelijk rendement box 3 aan te houden, maar de senaat wil niet zonder meer extra tijd geven. De commissie Financiën besloot op 22 september 2026 minister Heinen en staatssecretaris Eerenberg zo spoedig mogelijk uit te nodigen voor mondeling overleg over de verdere hervorming van box 3. De voorkeur gaat uit naar 5 oktober, na de Algemene Financiële Beschouwingen in de Tweede Kamer.

Daarmee verschuift het dossier steeds meer van een discussie over fiscale techniek naar een politieke keuze over het gewenste stelsel én de financiering daarvan.

Stemming over wetsvoorstel nog steeds aangehouden
De Tweede Kamer nam wetsvoorstel 36.748 op 12 februari 2026 aan. De plenaire behandeling in de Eerste Kamer vond plaats op 30 juni. Een stemming over het wetsvoorstel kwam er echter niet. De Eerste Kamer besloot deze uit te stellen in afwachting van aangekondigde wijzigingen van het kabinet. Het voorstel bevindt zich daarmee nog altijd in de plenaire behandelingsfase.

Het oorspronkelijke wetsvoorstel gaat in hoofdzaak uit van een vermogensaanwasbelasting. Daarbij worden niet alleen rente, dividend en andere directe inkomsten belast, maar in beginsel ook jaarlijkse ongerealiseerde waardeveranderingen.

Voor onder meer onroerende zaken en bepaalde aandelen in startende ondernemingen voorziet het wetsvoorstel juist in een vermogenswinstbelasting. De waardestijging wordt dan in beginsel pas belast wanneer deze daadwerkelijk wordt gerealiseerd.

De beoogde invoeringsdatum blijft formeel 1 januari 2028. Uit de recente ontwikkelingen blijkt echter dat allerminst vaststaat dat het stelsel dat vanaf die datum gaat gelden ook daadwerkelijk overeenkomt met het huidige wetsvoorstel.

Eerste Kamer wil eerst weten welke kant het kabinet op wil
Het kabinet schetste in september verschillende mogelijkheden om verder te gaan met box 3 en verzocht de Eerste Kamer de behandeling ondertussen aan te houden.

De commissie Financiën heeft daar op 22 september echter geen blanco cheque voor afgegeven. Zij wil de minister en staatssecretaris eerst mondeling spreken over de voortgang. Tevens handhaafde de commissie drie eerdere toezeggingen als niet voldaan. Die zien onder meer op het tijdpad naar een vermogenswinstbelasting, de budgettaire gevolgen van de tegenbewijsregeling en de toegezegde informatie over verbeteringen van box 3.

Ook Nextens signaleert dat de senaat op korte termijn meer duidelijkheid wil over de keuzes die het kabinet maakt. Alleen extra tijd vragen lijkt onvoldoende: de vraag is inmiddels vooral welke politieke richting het kabinet zelf voor ogen heeft.

Vier routes voor box 3
In de voortgangsbrief zijn grofweg vier scenario's uitgewerkt.

1. Huidige wetsvoorstel vanaf 2028 invoeren en verbeteren

De eerste mogelijkheid is om de Wet werkelijk rendement box 3 in stand te laten, maar onderdelen daarvan aan te passen. Daarbij wordt onder meer gekeken naar verliesverrekening, specifieke situaties rond huwelijk en scheiding en de positie van bepaalde vermogensbestanddelen. De vermogensaanwasbelasting blijft in deze variant voor een belangrijk deel van het vermogen het uitgangspunt.

2. Huidige wet als tussenstap naar vermogenswinstbelasting in 2030

Een tweede mogelijkheid is invoering van het bestaande hybride stelsel per 2028, gevolgd door een verdere overgang naar een volledige vermogenswinstbelasting per 2030. Dit betekent dat belastingplichtigen binnen enkele jaren tweemaal met een belangrijke stelselwijziging te maken kunnen krijgen.

3. Wetsvoorstel intrekken en rechtstreeks naar 2030

Het kabinet kan het huidige wetsvoorstel ook intrekken en het huidige forfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling langer laten bestaan. Vanaf 2030 zou dan rechtstreeks worden overgegaan naar een vermogenswinstbelasting.

4. Vermogenswinstbelasting voor financiële instrumenten vanaf 2028

Een vierde mogelijkheid is om aandelen, obligaties, opties en andere financiële instrumenten al vanaf 2028 onder een vermogenswinstbelasting te brengen. Volgens de kabinetsberekeningen zou daarmee ongeveer 90% van het box 3-vermogen waarvan de waarde kan veranderen onder een vermogenswinstsystematiek terechtkomen. Het nadeel is dat banken en andere financiële instellingen niet direct alle benodigde gegevens kunnen aanleveren. Dat heeft gevolgen voor de vooraf ingevulde aangifte, de uitvoerbaarheid en het doenvermogen van belastingplichtigen.

Budgettaire rekening loopt in de miljarden
Een belangrijk probleem bij vrijwel iedere aanpassing is de budgettaire impact. De verschillende routes zijn volgens de door Nextens aangehaalde kabinetsramingen geen van alle budgettair neutraal. De cumulatieve derving tot en met 2035 loopt afhankelijk van de gekozen variant sterk uiteen:

  • verbetering van het bestaande wetsvoorstel: circa € 5,7 miljard;
  • invoering vanaf 2028 gevolgd door een volledige vermogenswinstbelasting in 2030: circa € 12,9 miljard;
  • niet invoeren van de Wet werkelijk rendement en langer doorgaan met het huidige systeem en tegenbewijs: circa € 19,7 miljard;
  • een uitgebreidere vermogenswinstbelasting vanaf 2028: circa € 15,6 miljard.

Deze bedragen verklaren mede waarom de keuze voor een ander box 3-stelsel politiek ingewikkeld is.

Dekking kan ondernemers en werkenden raken
Daar komt nog een belangrijk aandachtspunt bij. De budgettaire dekking hoeft niet uitsluitend binnen box 3 te worden gezocht. In de doorgerekende mogelijkheden komen bijvoorbeeld ook maatregelen in de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting voor. Genoemd worden onder meer het afschaffen of aanpassen van het lage vennootschapsbelastingtarief en wijzigingen in de regeling voor excessief lenen bij de eigen vennootschap.

De discussie over box 3 gaat daardoor niet uitsluitend meer over spaarders, beleggers en vastgoedbezitters. Afhankelijk van de gekozen dekking kunnen ook ondernemers, directeur-grootaandeelhouders en andere belastingplichtigen met gevolgen worden geconfronteerd. Voor de adviespraktijk is dat relevant: een wijziging die voor een cliënt binnen box 3 gunstig uitpakt, kan via de gekozen dekking elders tot een lastenverzwaring leiden.

Tegenbewijsregeling blijft belangrijk
Wanneer invoering van een nieuw stelsel verder naar achteren wordt geschoven, blijft ook de huidige tegenbewijsregeling langer relevant. Belastingplichtigen kunnen onder voorwaarden aannemelijk maken dat hun werkelijke rendement lager is dan het forfaitair berekende rendement. Dat leidt niet alleen tot extra werkzaamheden voor belastingplichtigen, adviseurs en de Belastingdienst, maar heeft ook grote budgettaire gevolgen. Juist daarom is scenario 3 — langer doorgaan met het bestaande stelsel en pas later overstappen — volgens de ramingen de kostbaarste route.

Praktische gevolgen voor de adviseur
Voor de financiële en fiscale adviespraktijk is het belangrijkste gegeven dat 2028 nog wel het richtjaar is, maar het stelsel vanaf 2028 niet vaststaat. Bij grotere box 3-vermogens blijft het daarom verstandig gegevens vast te leggen die onder meerdere mogelijke stelsels van belang kunnen worden. Denk bijvoorbeeld aan:

  • oorspronkelijke aankoopprijzen van beleggingen en vastgoed;
  • aankoop- en verkoopkosten;
  • verbouwings- en verbeteringskosten bij vastgoed;
  • ontvangen rente, dividend en huur;
  • betaalde financieringskosten;
  • gerealiseerde verkoopopbrengsten;
  • historische waarderingsgegevens.

Met name wanneer uiteindelijk voor een verdere vermogenswinstbelasting wordt gekozen, wordt de historische kostprijs cruciaal. Zonder een goede administratie kan jaren later discussie ontstaan over de omvang van de daadwerkelijk gerealiseerde vermogenswinst.

Box 3 wordt voorlopig een scenariodossier
De discussie over box 3 is daarmee een nieuwe fase ingegaan. De vraag is niet langer uitsluitend of het huidige wetsvoorstel technisch uitvoerbaar is. Er moet eerst een politieke keuze worden gemaakt tussen jaarlijkse belasting over vermogensaanwas, belasting bij realisatie of een combinatie daarvan. Daarbij speelt bovendien een tweede keuze: wie betaalt de miljardenrekening die ontstaat wanneer van het huidige wetsvoorstel wordt afgeweken? De Eerste Kamer wil daar snel meer duidelijkheid over. Op 22 september besloot de commissie Financiën daarom tot een mondeling overleg met de verantwoordelijke bewindspersonen, bij voorkeur op 5 oktober 2026. Voor adviseurs is de boodschap voorlopig dan ook vooral: behandel de regelgeving vanaf 2028 nog niet als een gegeven, maar zorg wel dat cliënten administratief op verschillende uitkomsten zijn voorbereid.

Bron: Eerste kamer

Reacties

Er zijn (nog) geen reacties op dit artikel

Graag eerst inloggen om deze pagina te bekijken.

Professionele onderbouwing van jouw klantdossier

Combineer de snelheid van onze specifiek op Nederlandse wet- en regelgeving getrainde AI met de diepgaande expertise van vakspecialisten. Fintool biedt de zekerheid van een altijd vakkundig onderbouwd dossier.
Lees verder

Fintool bv © 2003/2026. Alle rechten voorbehouden.
Lees graag de leveringsvoorwaarden en het privacy reglement.

1
1