De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel blijft in de praktijk vragen oproepen. Een bijzonder lastig punt is de positie van werknemers die tijdens de transitie van baan wisselen en daardoor mogelijk geen compensatie ontvangen voor het afschaffen van de doorsneesystematiek. In antwoorden op Kamervragen erkent minister Vijlbrief dat dit tot moeilijk uitlegbare uitkomsten kan leiden, maar hij ziet vooralsnog geen generieke, juridisch houdbare en uitvoerbare oplossing.
Tussen twee compensatieregelingen
De kern van het probleem zit in de verschillende transitiedata van pensioenregelingen. Pensioenfondsen stappen niet allemaal op hetzelfde moment over naar de nieuwe pensioenregeling. Wie van baan wisselt, kan daardoor uit dienst gaan bij een werkgever waarvan het pensioenfonds nog niet is overgestapt, en vervolgens in dienst komen bij een werkgever waarvan het pensioenfonds al wél is overgestapt of een andere compensatiesystematiek kent.
In zo’n geval kan de werknemer buiten de compensatie vallen bij het oude fonds, omdat hij daar geen actieve deelnemer meer is op het relevante moment. Tegelijkertijd kan hij bij het nieuwe fonds niet of beperkt in aanmerking komen, omdat de compensatie daar al is vastgesteld of uitsluitend ziet op bestaande deelnemers.
De minister begrijpt dat dit tot onduidelijkheid kan leiden bij het maken van keuzes over een nieuwe baan. Hij benadrukt wel dat bij de invoering van de Wet toekomst pensioenen bewust is gekozen voor een meerjarige overgangstermijn. Eén vaste transitiedatum voor alle pensioenregelingen werd niet uitvoerbaar geacht vanwege de belasting voor pensioenfondsen, uitvoeringsorganisaties, toezichthouders, IT-capaciteit en adviseurs.
Geen landelijke uniforme compensatieregeling
Volgens de minister is bij de Wtp bewust ruimte gelaten aan sociale partners. Compensatie is namelijk sterk afhankelijk van de kenmerken van de pensioenregeling, de deelnemerspopulatie, de financiering en de sector. Sociale partners kunnen bepalen of compensatie wordt toegekend, hoe hoog deze is en of deze ineens of gespreid wordt toegekend.
Een uniforme wettelijke compensatieregeling zou die decentrale ruimte beperken. Dat uitgangspunt botst nu met de praktijk van baanwisselaars: maatwerk per sector kan ertoe leiden dat vergelijkbare werknemers verschillend uitkomen, afhankelijk van het moment waarop zij overstappen.
Aantallen blijven onzeker
Een exacte omvang van de groep is niet vast te stellen. Eerder is op basis van CBS-data en aannames globaal geschat dat het zou kunnen gaan om enkele tienduizenden mensen die in een jaar zonder compensatie overstappen naar een andere baan en pensioen gaan opbouwen bij een andere pensioenuitvoerder. Een nauwkeuriger inschatting is volgens de minister niet mogelijk.
Daarvoor ontbreken de benodigde gegevens. Pensioenuitvoerders beschikken alleen over gegevens van deelnemers binnen hun eigen regeling. Om achteraf vast te stellen wie tussen twee compensatieregelingen is gevallen, zouden gegevens van verschillende pensioenuitvoerders gecombineerd moeten worden. Daarvoor ontbreekt een grondslag. Bovendien verschillen de voorwaarden en vormgeving van compensatieregelingen per fonds.
Bij individuele waardeoverdracht kan soms meer informatie beschikbaar zijn, zoals leeftijd, uitdiensttredingsdatum en de ontvangende pensioenuitvoerder. Maar niet iedere werknemer vraagt waardeoverdracht aan. Ook daarmee kan niet worden vastgesteld of iemand zich bewust was van de gevolgen van de baanwissel voor de compensatie.
Vangnetregeling praktisch zeer complex
De Kamer vroeg of een compensatievoorziening, vereveningsmodel of vangnetregeling mogelijk is. De minister wijst erop dat zo’n oplossing grote juridische en uitvoeringstechnische problemen oproept. Een regeling die achteraf openstaat voor baanwisselaars zou in de praktijk moeilijk kunnen onderscheiden tussen werknemers die bewust zijn overgestapt en de pensioengevolgen hebben meegewogen, en werknemers die dat niet hebben gedaan.
Ook is niet duidelijk welk tijdvak zou moeten gelden, hoeveel mensen alsnog compensatie zouden vragen en hoe hoog de compensatie per deelnemer zou zijn. Volgens de minister zou het achteraf openstellen van compensatie voor iedere baanwisselaar leiden tot “enorme kosten”, maar een concrete raming kan hij niet geven.
Sectorale oplossingen
Helemaal niets doen is het ook weer niet. De minister noemt voorbeelden van sectorspecifieke oplossingen. Zo hebben PMT en PME afspraken gemaakt om werkgevers tijdelijk dispensatie te kunnen geven bij een overstap tussen deze fondsen, zodat werknemers toegang kunnen behouden tot de compensatieregeling van PME.
Ook bij bpfBOUW is rekening gehouden met situaties waarin deelnemers tijdelijk niet actief zijn, bijvoorbeeld door seizoensarbeid. Deelnemers die geen recht hebben op reguliere compensatie omdat zij geen deelnemer zijn op 31 december 2025, kunnen onder voorwaarden toch compensatie krijgen als zij in het laatste kwartaal van 2025 en in het eerste halfjaar van 2026 ten minste één dag een actief dienstverband hebben. Een vergelijkbare aanpak wordt volgens de minister ook gevolgd bij onder meer BPL en Pensioenfonds Koopvaardij.
Deze oplossingen zijn echter fonds- of sectorspecifiek. Zij vormen geen algemene regeling voor individuele baanwisselaars.
Communicatie wordt belangrijker
De praktische boodschap is dat werknemers bij een baanwissel nadrukkelijker moeten nagaan wat de overstap betekent voor hun pensioencompensatie. Volgens de minister zetten pensioenuitvoerders en werkgevers al in op communicatie. Op Pensioenduidelijkheid.nl is informatie beschikbaar over compensatie en situaties zoals baanwissel. Daarnaast is de communicatie over compensatie geïntensiveerd, onder meer via de campagne Pensioenduidelijkheid en informatie van pensioenuitvoerders, werkgevers en sociale partners.
Voor werknemers die al zijn overgestapt, komt aanvullende communicatie uiteraard te laat. De minister wijst er echter op dat de pensioentransitie nog niet is afgerond. De uiterste transitiedatum is 1 januari 2028 en veel pensioenfondsen stappen nog over per 1 januari 2027. Voor die groep kan tijdige informatie nog wel relevant zijn.
Najaarsbrief pensioenonderwerpen
In de Verzamelbrief pensioenonderwerpen najaar 2026 komen daarnaast enkele andere pensioenonderwerpen aan bod. Zo ziet de minister geen ongelijke behandeling tussen pensioenuitkeringen en ontslagvergoedingen uit een vaststellingsovereenkomst binnen de sociale zekerheid. Pensioenuitkeringen kunnen bijvoorbeeld met een WW-uitkering worden verrekend, terwijl een eenmalige ontslagvergoeding in beginsel buiten de inkomensverrekening blijft. Volgens de minister verschillen beide uitkeringen in rechtskarakter en doel, zodat geen sprake is van gelijke gevallen.
Verder acht de minister aanvullende wetgeving voor informatierechten van gepensioneerden bij internationale collectieve waardeoverdracht niet nodig. Volgens hem bevatten Europese en nationale regels al voorschriften voor het informeren en betrekken van deelnemers en pensioengerechtigden.
Ook bevestigt de minister dat bij het laten vervallen van het stichtingsvereiste voor bepaalde buitenlandse pensioeninstellingen het uitgangspunt blijft dat pensioeninstellingen zonder winstoogmerk moeten opereren. Tot slot meldt hij dat het CBS-onderzoek Werknemers zonder pensioen 2024 is vertraagd en naar verwachting in het eerste kwartaal van 2027 verschijnt.
Praktijkbelang
Voor adviseurs en werkgevers is vooral het punt van pensioencompensatie bij baanwissel relevant. De compensatie kan een wezenlijk arbeidsvoorwaardelijk element zijn, maar is voor werknemers vaak moeilijk te overzien. Een overstap naar een andere werkgever kan daardoor onbedoeld leiden tot verlies van verwachte compensatie.
Bij begeleiding rond baanwissel, reorganisatie, sociaal plan of arbeidsvoorwaardenvergelijking verdient pensioencompensatie daarom expliciete aandacht. Niet alleen de hoogte van het salaris en de pensioenpremie zijn relevant, maar ook de vraag of de werknemer bij het oude of nieuwe pensioenfonds nog aanspraak kan maken op compensatie in verband met de overgang naar de Wtp.
De minister gaat nog kijken naar mogelijke aanvullende maatregelen, maar de toon van de beantwoording is terughoudend: een generieke reparatie lijkt voorlopig niet in beeld. Daarmee verschuift het zwaartepunt naar tijdige, concrete en individuele informatie vóórdat de werknemer overstapt.
NB: de meegegeven Excel-export kon ik in deze omgeving niet openen, omdat het bestand niet beschikbaar was in /mnt/data. De controle op eerdere Fintool-artikelen is daarom uitgevoerd via Fintool.nl.
pensioencompensatie, baanwissel, Wet toekomst pensioenen, doorsneesystematiek, transitie pensioenstelsel
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99