Rechtbank Noord-Holland heeft geoordeeld dat de kapitalisatiefactor uit het Uitvoeringsbesluit Successiewet ook kan gelden bij een tijdelijk recht van gebruik en bewoning. Dat is relevant voor testamentaire bepalingen waarbij een erfgenaam of legataris nog enige tijd in de woning mag blijven wonen na overlijden van de erflater.
De casus
Vader overleed op 30 september 2022. In zijn testament had hij zijn kinderen tot erfgenamen benoemd. Eén zoon woonde met zijn gezin al bij vader op het erf. Aan deze zoon werd gelegateerd dat hij gedurende één jaar na overlijden de woning, gebouwen en het erf mocht blijven gebruiken. Hij hoefde daarvoor geen gebruiksvergoeding aan de mede-erfgenamen te betalen, maar moest wel alle eigenaarslasten dragen, zoals gemeentelijke belastingen, waterschapslasten, opstalverzekering en hypotheekrente.
De woning had voor 2022 een WOZ-waarde van € 512.000. Later is de woning met bijgebouwen en grond verkocht voor € 635.042. Voor de erfbelasting ontstond discussie over de waarde van het legaat.
De inspecteur waardeerde het legaat in bezwaar op € 23.040. Daarbij werd uitgegaan van 6% van de WOZ-waarde en een kapitalisatiefactor van 0,75, passend bij de leeftijd van de zoon van 63 jaar. De zoon stelde daartegenover dat het gebruiksrecht maximaal één jaar duurde en dat artikel 6 UBSW volgens hem alleen ziet op levenslange of onbepaalde rechten. Hij vond dat het legaat moest worden gewaardeerd op het netto voordeel, na aftrek van eigenaarslasten, uitkomend op ongeveer € 10.000 tot € 12.000.
Niet “levenslang”, maar afhankelijk van leven
De rechtbank volgt de zoon niet in zijn uitleg van artikel 6 UBSW. Het zinsdeel “van het leven van een persoon afhankelijk” betekent volgens de rechtbank niet dat het recht levenslang moet zijn. Het betekent dat het recht eindigt als de vruchtgebruiker eerder overlijdt. Ook een recht dat maximaal één jaar duurt, maar eerder eindigt bij overlijden van de gerechtigde, valt daarmee onder deze waarderingssystematiek.
Voor de Successiewet zijn de waarderingsvoorschriften dwingend. Bij woningen wordt aangesloten bij de WOZ-waarde. Voor het genotsrecht wordt vervolgens gerekend met 6% van die waarde. Daarop wordt de toepasselijke kapitalisatiefactor toegepast. In deze zaak leidde dat tot: € 512.000 x 6% x 0,75 = € 23.040. Taxence vat de kern van de uitspraak op dezelfde manier samen: de factor uit het UBSW geldt ook voor een vruchtgebruik dat uiterlijk na één jaar eindigt.
Eigenaarslasten drukken de waarde
Toch kreeg de zoon gedeeltelijk gelijk. Tijdens de procedure erkende de inspecteur dat rekening moest worden gehouden met eigenaarslasten van € 2.310. De rechtbank nam dit over. De waarde van het legaat werd daarom vastgesteld op:
€ 512.000 x 0,06 x 0,75 -/- € 2.310 = € 20.730.
Daardoor daalde de belaste verkrijging naar € 142.713. Het beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar werd vernietigd en de aanslag werd verminderd.
Praktische betekenis voor advies
Deze uitspraak is vooral van belang bij testamenten waarin een kind, partner of andere betrokkene tijdelijk in de woning mag blijven wonen. Een formulering als “gedurende één jaar na mijn overlijden” voorkomt niet automatisch dat de forfaitaire waarderingsregels voor vruchtgebruik worden toegepast. Als het recht ook eindigt bij eerder overlijden van de gerechtigde, kan het recht worden gezien als een van het leven afhankelijk genotsrecht.
Voor de adviespraktijk zijn drie aandachtspunten van belang.
Bron: Rechtspraak
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99