Waar gaat dit over: welke forfaits?
De forfaits worden in de Successiewet gebruikt om op een doelmatige (lees: uitvoerbare) manier de contante waarde te bepalen van:
- (fictief) vruchtgebruik en andere genotsrechten (en de blote eigendom daartegenover);
- rechten/plichten tot periodieke uitkeringen (zoals (nabestaanden)lijfrentes);
- o.a. ook waarderingen in situaties zoals de wettelijke verdeling (onderbedelingsvorderingen).
In de praktijk zijn vooral twee toepassingen “groot”:
- Onderbedelingsvorderingen bij het eerste en tweede overlijden (wettelijke verdeling).
- De 6%-normrente bij papieren schenkingen (schuldigerkenning uit vrijgevigheid) en – sinds recente jurisprudentie – de discussie rond onzakelijke leningen.
Kern van het moderniseringsvoorstel
1) Levensverwachting: van “oud” naar actuele prognoses
Voorgesteld wordt om de resterende levensduur per leeftijd te baseren op prognosetafels van het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG), met een sekseneutrale levensverwachting. Prognosetafels kijken (anders dan periodetafels) ook vooruit en worden eens per twee jaar gepubliceerd.
2) Rekenrente: van vaste 6% naar (gemiddelde) risicovrije rente
De huidige 6% is het anker in veel estateplanning. In het voorstel gaat men naar een rekenrente die:
- is gebaseerd op een risicovrije rente uit de DNB UFR-rentetermijnstructuur;
- wordt bepaald bij een looptijd van 9 jaar (aansluitend bij de mediane duur van onderbedelingsvorderingen);
- jaarlijks wordt geactualiseerd via een voortschrijdend gemiddelde over 5 jaar (60 maandwaarden);
- na middeling naar boven wordt afgerond op halve procentpunten (o.a. om “schijnnauwkeurigheid” te voorkomen);
- niet negatief wordt.
In de budgettaire bijlage wordt – puur als raming – voor 1-1-2028 gerekend met een rekenrente van circa 3% (te actualiseren richting invoering).
3) Forfaits in de wet + automatische actualisatie
Opvallend: men wil de forfaits (en een formule/actualisatiemechanisme) in de Successiewet 1956 opnemen, om te voorkomen dat tabellen decennia stil blijven staan.
Wat betekent dit voor de praktijk?
A. Wettelijke verdeling / onderbedelingsvorderingen: verschuiving in heffing
Bij renteloze vorderingen zorgt een lagere rekenrente er in hoofdlijn voor dat het (fictieve) vruchtgebruik van de langstlevende lager wordt gewaardeerd, waardoor de belastbare verkrijging van de kinderen bij het eerste overlijden relatief hoger uitkomt. Dit is precies waarom in de stukken wordt verwacht dat bij een deel van de nalatenschappen de erfbelasting toeneemt.
Bij rentedragende vorderingen is het effect vaak juist zichtbaar bij het tweede overlijden: als de “norm” (de rekenrente) daalt, wordt er bij een rente die daarop wordt afgestemd gedurende de looptijd minder bijgeschreven, waardoor bij het overlijden van de langstlevende minder schuld drukt en er per saldo meer erfbelasting kan ontstaan.
Cijfers uit de beslisnota:
- voor circa 11% van alle nalatenschappen neemt de erfbelasting toe (bij het eerste óf tweede overlijden);
- mediane stijging binnen die groep: 0,6 procentpunt (eerste overlijden) en 1,2 procentpunt (tweede overlijden).
B. Papieren schenkingen: de 6% normrente komt op de schop
Papieren schenkingen (schuldigerkenning uit vrijgevigheid) worden veel gebruikt bij illiquide vermogen, zoals overwaarde eigen woning: de schenking vindt nu plaats, maar uitbetaling volgt vaak pas bij overlijden. Om te voorkomen dat de schuld bij overlijden alsnog fiscaal “terugpakt” (o.a. art. 10 SW in de praktijk), geldt de eis van jaarlijks 6% rente betalen.
In het voorstel wordt die 6% normrente vervangen door de gemoderniseerde rekenrente.
Gevolg in gewone taal:
- minder jaarlijkse rente = minder jaarlijkse (onbelaste) vermogensverschuiving van ouder naar kind via rentebetalingen;
- daarmee wordt een belangrijk “estateplanning-voordeel” van papieren schenkingen ingeperkt (dat is ook expliciet de beleidsbedoeling).
Let op: in de Kamerbrief wordt ook benoemd dat een lagere rente óók kan betekenen dat sommige mensen juist meer op papier gaan schenken (omdat de jaarlijkse liquiditeitsdruk daalt), wat budgettair tegenwerkt.
C. Onzakelijke leningen: forfait mogelijk níet meer toepassen
Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad (4 april 2024) is het punt ontstaan dat bij een onzakelijke lening aan een natuurlijk persoon de waardering via het vruchtgebruikforfait tot een te lage heffingsgrondslag kan leiden (omdat het echte “cadeau” vooral in het risico zit, niet in het renteverschil). Daarom is het voornemen om onzakelijke leningen uit te sluiten van toepassing van dit forfait en een andere waarderingswijze te bezien.
D. Vruchtgebruik met/zonder verteringsbevoegdheid: géén aparte tabellen (voorlopig)
Deloitte adviseerde om onderscheid te maken tussen vruchtgebruik met en zonder verterings-/vervreemdingsbevoegdheid, maar de stukken wijzen op lastige afbakening (tussenvarianten) en uitvoerbaarheid. In het voorstel wordt daarom geen onderscheid gemaakt.
Overgangsrecht: belangrijk voor “lopende” dossiers
Een cruciaal onderdeel voor estateplanners is het aangekondigde overgangsrecht: als het eerste overlijden vóór invoering plaatsvindt (beoogd: vóór januari 2028), dan zou de nieuwe rekenrente bij het tweede overlijden niet van toepassing zijn. Dat voorkomt dat families midden in een bestaande wettelijke-verdelingsstructuur achteraf met nieuwe spelregels worden geconfronteerd.
Tijdpad: internetconsultatie in 2026, beoogde start 2028
De Kamerbrief schetst een tijdpad met:
- conceptwetsvoorstel en internetconsultatie in 2026 (Q2);
- verdere toetsen in 2026;
- parlementaire behandeling in 2027;
- beoogde inwerkingtreding 1 januari 2028.
Budgettaire impact: let op welke “maatstaf” je leest
In de stukken circuleren meerdere bedragen, afhankelijk van definitie:
- In de beslisnota wordt een lastenrelevante opbrengst genoemd van € 115 mln.
- De beslisnota noemt ook een raming op transactiebasis van € 196 mln.
- De budgettaire bijlage werkt dit uit en laat o.a. lastenrelevante effecten zien (bijv. vlakke reeks) en ingroei bij rentedragende vorderingen.
Voor de adviespraktijk is vooral relevant: de beleidslijn is expliciet dat de lagere rekenrente fiscale voordelen van estateplanning beperkt.
Wat nu te doen als adviseur?
- Inventariseer dossiers met (i) papieren schenkingen en (ii) testamenten/renteafspraken rond onderbedelingsvorderingen.
- Leg uit dat “6%” niet heilig is: als de normrente daalt, verandert het speelveld (en mogelijk het optimale renteperscentage in testament/overeenkomst).
- Let op liquiditeit: lagere verplichte rente bij papieren schenkingen verlaagt jaarlijkse cash-out, maar kan ook betekenen dat het totale fiscale voordeel daalt.
- Volg de consultatie: de precieze rekenrente in 2028 en de exacte vormgeving van overgangsrecht/waardering onzakelijke leningen zijn bepalend voor advies.
Top 3 relevante eerdere Fintool.nl-artikelen (uit de kennisbankexport)
-
12-03-2014 – ID 445 – “Papieren schenking” – http://www.fintool.nl/445/papieren-schenking.htm
-
11-12-2024 – ID 21480 – “Modelovereenkomst verhoogde schenking” – https://www.fintool.nl/21480/modelovereenkomst-verhoogde-schenking.htm
-
21-02-2025 – ID 31432 – “Familiebank: welk hypotheekrentepercentage” – https://www.fintool.nl/31432/familiebank-welk-hypotheekrentepercentage.htm
(Data ontleend aan de opvoerdatum in de aangeleverde .xlsx-export; de URL bevat het Fintool-artikel-ID.)