Advocaat-generaal Pauwels adviseert de Hoge Raad om niet-bezwaarmakers geen recht te geven op teruggaaf van box 3-heffing over de jaren 2017 tot en met 2020 naar aanleiding van het Kerstarrest. Het gaat om proefprocedures binnen de massaalbezwaarplusprocedure. De conclusie is gepubliceerd op 8 mei 2026 en ziet onder meer op zaaknummer 25/02701, ECLI:NL:PHR:2026:457.
De kernvraag is of belastingplichtigen die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen hun aanslag IB/PVV alsnog via een verzoek om ambtshalve vermindering kunnen profiteren van het Kerstarrest van 24 december 2021. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat het sinds 2017 geldende box 3-stelsel in strijd kwam met het eigendomsrecht en het gelijkheidsbeginsel uit het EVRM. Tijdige bezwaarmakers kwamen daardoor in aanmerking voor rechtsherstel als de forfaitaire box 3-heffing hoger was dan het werkelijke rendement.
Voor niet-bezwaarmakers ligt dit anders. Hun aanslagen stonden al onherroepelijk vast. Wel kan de inspecteur een aanslag ambtshalve verminderen, maar daarop geldt een belangrijke beperking: vermindering blijft achterwege als de onjuistheid van de aanslag voortvloeit uit jurisprudentie die pas is gewezen nadat de aanslag onherroepelijk vaststond. Dit is de zogenoemde nieuwe-jurisprudentie-uitzondering van artikel 45aa Uitvoeringsregeling IB 2001.
Volgens de A-G is die uitzondering hier van toepassing. De Hoge Raad hoeft volgens hem niet terug te komen op het arrest van 20 mei 2022, waarin al werd geoordeeld dat het Kerstarrest nieuwe jurisprudentie is in de zin van artikel 45aa URIB 2001. Ook de stelling dat eerdere box 3-arresten uit 2016 en 2019 al voldoende duidelijk maakten dat de aanslagen onjuist waren, slaagt volgens de A-G niet.
Een belangrijk nieuw accent in deze procedures is het beroep op het evenredigheidsbeginsel. De belanghebbenden betogen dat het te zwaar uitpakt als niet-bezwaarmakers definitief buiten rechtsherstel blijven, terwijl de box 3-heffing zelf in strijd met het EVRM is bevonden. De A-G erkent dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling voor ambtshalve vermindering niet duidelijk blijkt dat de belangen van belastingplichtigen expliciet zijn meegewogen. Toch ziet hij voldoende aanknopingspunten voor een rechterlijke toetsing. De nieuwe-jurisprudentie-uitzondering dient volgens hem drie legitieme doelen: budgettaire belangen, uitvoerbaarheid en rechtszekerheid. De nadelige gevolgen voor belastingplichtigen zijn volgens de A-G niet onevenredig in verhouding tot die doelen.
Ook een beroep op het EVRM, het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play-beginsel leidt volgens de A-G niet tot cassatie. De rechtbanken hadden de beroepen van de belastingplichtigen eerder ongegrond verklaard. De A-G adviseert de Hoge Raad die oordelen in stand te laten.
De conclusie is van groot belang voor de afhandeling van de massaalbezwaarplusprocedure. Die procedure is juist ingericht omdat veel niet-bezwaarmakers alsnog om ambtshalve vermindering hebben gevraagd. Een beperkt aantal proefzaken wordt uitgeprocedeerd; daarna worden de overige verzoeken afgedaan op basis van het uiteindelijke oordeel van de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft nog geen datum voor uitspraak bekendgemaakt.
Voor de praktijk betekent dit dat niet-bezwaarmakers nog moeten wachten op het definitieve arrest van de Hoge Raad. Het advies van de A-G is niet bindend, maar wordt in de praktijk vaak gevolgd. Als de Hoge Raad het advies overneemt, lijkt de route naar box 3-compensatie voor niet-bezwaarmakers over 2017-2020 vrijwel afgesloten. Alleen belastingplichtigen met tijdig bezwaar, nog niet onherroepelijk vaststaande aanslagen of andere zelfstandige gronden blijven dan in beeld voor rechtsherstel.
Bron: Rechtspraak
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99