MijnFintool

Nieuws

Omzetting ingegane ODV naar lijfrenterekening: “levenslang” kan korter zijn dan “tijdelijk” (KG:070:2022:3)

De Kennisgroep verzekeringsproducten en assurantiebelasting heeft het standpunt KG:070:2022:3 over de minimale uitkeringsduur bij omzetting van een ingegane oudedagsverplichting (ODV) naar een lijfrenterekening opnieuw gepubliceerd/gewijzigd (laatste update 20 februari 2026). De casus is herkenbaar uit de adviespraktijk: een DGA met een ODV in de BV waarvan de uitkeringen al lopen, wil (de resterende) ODV-waarde geruisloos omzetten in een bancaire lijfrente. En juist dáár ontstaat een uitkomst die voor veel adviseurs “niet uit te leggen” voelt.

De casus uit het KG-standpunt

  • De DGA heeft een ODV bij de eigen BV; de uitkeringen zijn al ingegaan.
  • Op het moment van omzetting is de DGA 16 jaar ouder dan zijn AOW-leeftijd.
  • Vraag: wat is de minimale uitkeringsduur van de lijfrenterekening als de jaarlijkse termijnen wel of niet boven de grens uitkomen die in de wet is gekoppeld aan de tijdelijke oudedagslijfrente (de zgn. TOL-grens)?

Antwoord van de Kennisgroep: 4 jaar óf 5 jaar
De Kennisgroep komt tot twee uitkomsten:

  1. Jaartermijn > TOL-grens ⇒ kwalificatie als (fiscaal) “levenslange oudedagslijfrenterekening” ⇒ minimale uitkeringsduur: 4 jaar.
  2. Jaartermijn ≤ TOL-grens ⇒ kwalificatie als tijdelijke oudedagslijfrenterekening ⇒ minimale uitkeringsduur: 5 jaar.

Dat voelt contra-intuïtief: “levenslang” heeft hier dus een kortere minimale duur dan “tijdelijk”.

Hoe kan dit? De rekensom achter de “bizarre” uitkomst

Stap 1 – Omzetting mag (onder voorwaarden)

In beginsel is het aanwenden van een ODV nádat de uitkeringen al zijn gestart niet vanzelfsprekend. De mogelijkheid is – onder voorwaarden – uitgewerkt in het Verzamelbesluit pensioenen (Stcrt. 2023, 18570).
(In de praktijk wordt vaak verwezen naar “het besluit van juni 2023”; op de KG-pagina wordt verwezen naar het besluit van 27 juni 2023.)

Stap 2 – Normaal geldt: ingangsdeadline “AOW + 5 jaar”

Voor een lijfrente (ook een lijfrenterekening) geldt als hoofdregel dat de eerste termijn uiterlijk moet ingaan in het jaar waarin de belastingplichtige AOW-leeftijd + 5 jaar bereikt (de uiterste ingangsdatum).
Bij deze ODV-route kan die leeftijdsgrens onder voorwaarden buiten toepassing blijven (via art. 10a.18 Wet IB 2001 en het besluit).

Stap 3 – De wet koppelt minimale looptijd aan de situatie “als je pas op de uiterste ingangsdatum start”

De wet (art. 3.126a lid 4 Wet IB 2001) beschrijft minimale uitkeringsduren voor lijfrentes die op de uiterste ingangsdatum ingaan. Die systematiek “werkt door” bij geruisloze aanwending van een ODV, óók als je feitelijk pas (veel) later omzet.

Stap 4 – Waarom wordt “levenslang” dan 4 jaar?

Als de jaartermijnen boven de TOL-grens uitkomen, zit je in het regime dat de Kennisgroep aanduidt als “levenslange oudedagslijfrenterekening” met als uitgangspunt een minimale duur van 20 jaar. Maar: die 20 jaar wordt verkort met de periode die is verstreken sinds het bereiken van de AOW-leeftijd tot aan de eerste lijfrentetermijn. In de casus is dat 16 jaar. Dus: 20 – 16 = 4 jaar.

Stap 5 – Waarom wordt “tijdelijk” dan 5 jaar?

Blijf je onder de TOL-grens, dan kwalificeert het product als tijdelijke oudedagslijfrenterekening en geldt een vaste minimale uitkeringsduur van 5 jaar.
En die “korting” zoals bij de 20-jaarsvariant speelt hier niet: vijf jaar blijft vijf jaar.

Praktische aandachtspunten voor de adviespraktijk

  1. Controleer vooraf de TOL-grens-toets op “gezamenlijke termijnen per kalenderjaar”
    De wetstoets gaat over het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar. “Knippen” in meerdere rekeningen/contracten helpt dus meestal niet als de totale jaaruitkering boven de grens blijft.

  2. Bewuste productkeuze: soms is ‘boven de grens’ juist wenselijk
    Als een klant (bijvoorbeeld op hoge leeftijd) juist een kortere resterende uitkeringsduur wil, kan het – hoe vreemd ook – fiscaal gunstiger uitpakken als de jaartermijn boven de TOL-grens komt, omdat dan de 20-jaarsduur wordt “afgetopt” met de verstreken jaren sinds AOW. In de KG-casus levert dat 4 jaar op.

  3. Communiceer verwachtingsmanagement richting klant én uitvoerder
    De term “levenslang” roept verwachtingen op bij klanten (en soms ook bij uitvoerders/backoffice). Dit KG-standpunt laat zien dat de fiscale kwalificatie en de feitelijke minimale duur uit elkaar kunnen lopen door de wettelijke rekensystematiek.

  4. Let op: update 20-02-2026
    De Kennisgroep vermeldt dat het standpunt is aangepast wegens wetswijzigingen per 1 januari 2023 en 1 juli 2023. Inhoudelijk presenteert de publicatie vooral verduidelijking/actualisering van de systematiek rond deze omzettingsroute.

Bron: Belastingdienst

Modules & dossiers

Opvoerdatum

22 feb 2026

Laatst gewijzigd

24 feb 2026

Reacties

Er zijn (nog) geen reacties op dit artikel

Graag eerst inloggen om deze pagina te bekijken.

Permanent Actueel met Fintool?

Als professioneel financieel adviseur moet en wilt u bijblijven en dat het liefst in zo weinig mogelijk (kostbare) tijd. Dat kan nu met Fintool.nl! Meld u nu aan als abonnee en krijg toegang tot de Kennisbank, Rekenmodellen en Helpdesk.
Lees verder

Fintool bv © 2003/2026. Alle rechten voorbehouden.
Lees graag de leveringsvoorwaarden en het privacy reglement.

1
1