Waarom 1 juli 2026 niet meer lukt
In de beantwoording aan de Eerste Kamer wordt het knelpunt concreet gemaakt:
- Voorbereidingstijd uitvoerders: pensioenuitvoerders geven aan minimaal 6–9 maanden nodig te hebben voor implementatie; met minder dan 6 maanden resterend tot 1 juli 2026 is dat niet meer realistisch.
- Samenloop met Wtp-transitie: de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel vraagt veel capaciteit en zorgt voor een intensieve informatiestroom richting deelnemers. De sector geeft aan zich niet langer comfortabel te voelen met invoering van ‘bedrag ineens’ tijdens die transitie.
- Keuzebegeleiding en communicatie: het uitgangspunt blijft dat deelnemers ruim van tevoren goede, begrijpelijke informatie en begeleiding moeten krijgen, zeker omdat het bedrag ineens invloed kan hebben op belasting en toeslagen.
Nibud-tool: pas rond mei/juni 2026 gereed
Een belangrijk praktisch punt is de rekentool van het Nibud waarmee deelnemers (en adviseurs) de individuele effecten op netto-inkomen en toeslagen beter kunnen inschatten. Die tool wordt naar verwachting rond mei of juni 2026 opgeleverd en gratis beschikbaar gesteld; pensioenuitvoerders kunnen daarnaar verwijzen.
Let op: SZW benadrukt dat de Nibud-tool een bovenwettelijke aanvulling is. Ook zonder tool blijft de pensioenuitvoerder wettelijk verplicht om adequaat te informeren over voorzienbare gevolgen, risico’s en voor-/nadelen.
Korte opfrisser: spelregels bedrag ineens (zoals voorzien)
De brief zet nogmaals de belangrijkste waarborgen op een rij, waaronder:
- Maximaal 10% van de waarde van het ouderdomspensioen als eenmalige uitkering.
- Keuze is alleen mogelijk rond pensioendatum.
- Niet combineerbaar met hoog-laag pensioen (de wetgeving wil stapeling van keuzes beperken).
- Deelnemer moet worden gewezen op gevolgen voor belasting, bijdrage Zvw en inkomens-/vermogensafhankelijke regelingen (toeslagen).
En interessant voor de praktijk: uit eerder Nibud-onderzoek blijkt dat ruim 1 op de 3 mensen van 55–67 jaar aangeeft er (misschien) gebruik van te willen maken.
Wat betekent dit voor de adviespraktijk?
“Bedrag ineens” blijft voorlopig een planning-onderwerp, geen uitvoeringskeuze
Voor klanten die in 2026 met pensioen gaan is de kernboodschap: reken nog niet op een harde ingangsdatum. Het nieuwe kabinet moet eerst een datum prikken.
Praktijktip: blijf in pensioenplannen wel werken met scenario’s (met/zonder bedrag ineens), maar label dit expliciet als onzeker wetgevingstijdpad.
Extra alert bij toeslagen en inkomenssprongen (jaar van uitkering)
Het bedrag ineens kan het toetsingsinkomen in het jaar van uitkering fors verhogen, met risico op (gedeeltelijk) verlies of terugvordering van toeslagen. Ook kan er een bijdrage Zvw spelen en verschuift de belastingdruk door progressie in box 1. SZW onderstreept dat die impact “(groot)” kan zijn.
Checklist voor klantgesprekken (nu al nuttig):
- Heeft klant (of partner) recht op huur-/zorgtoeslag of kindgebonden budget in het uitkeringsjaar?
- Is er sprake van andere eenmalige posten in dat jaar (afkoop lijfrente, ontslagvergoeding, verkoop box-3-bezit met peildatumeffecten)?
- Hoe wordt de liquiditeit besteed (aflossen hypotheek, buffer, schenking) en wat doet dat met vermogen/box 3 en toeslaggrenzen?
Communicatie: “keuzebegeleiding” is geen advies, maar gaat wel verder dan alleen informeren
SZW verwijst naar de wettelijke norm dat uitvoerders deelnemers actiever moeten begeleiden dan alleen een brochure sturen; adviserend mag, maar hoeft niet.
Voor financieel adviseurs kan dit juist het haakje zijn om tijdig (ruim vóór pensioendatum) de fiscale/toeslagenkant door te rekenen.
Conclusie
De boodschap uit Den Haag is duidelijk: 1 juli 2026 is van de baan en de nieuwe ingangsdatum is politiek vooruitgeschoven naar een nieuw kabinet. Tegelijkertijd wordt zichtbaar waarom: uitvoerbaarheid (6–9 maanden), samenloop met Wtp-transitie en de noodzaak van degelijke begeleiding. De Nibud-tool komt bovendien pas mei/juni 2026 beschikbaar, wat in elk scenario betekent dat “bedrag ineens” voor veel klanten pas later echt goed individueel doorrekenbaar wordt.
Bron: Rijksoverheid