Een afspraak in huwelijkse voorwaarden dat één echtgenoot bij een echtscheiding recht krijgt op een vast bedrag, kan leiden tot schenkbelasting. Dat partijen de betaling zelf kwalificeren als voldoening aan een “dringende verplichting van moraal en fatsoen” is daarbij niet doorslaggevend. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat een geïndexeerde uitkering van € 360.000 aan een ex-echtgenote een belaste schenking vormt.
Recht op € 300.000 bij einde huwelijk
De echtgenoten trouwden in 2008 buiten iedere gemeenschap van goederen. In hun huwelijkse voorwaarden was geen finaal verrekenbeding bij echtscheiding opgenomen. Wel kreeg de vrouw recht op een eenmalige uitkering van € 300.000 als de samenleving anders dan door overlijden zou eindigen. Het bedrag werd jaarlijks geïndexeerd. In de huwelijkse voorwaarden stond bovendien expliciet dat partijen de betaling aanmerkten als voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen. In 2019 volgde de echtscheiding. Door indexatie was de uitkering inmiddels opgelopen tot € 360.000. Partijen spraken af dat dit bedrag in twaalf jaar zou worden betaald, met € 30.000 per jaar. In het echtscheidingsconvenant werd opnieuw vastgelegd dat de uitkering volgens partijen als een natuurlijke verbintenis moest worden beschouwd. De Belastingdienst legde echter een aanslag schenkbelasting op.
Schenking onder opschortende voorwaarde
Volgens de vrouw kon geen sprake zijn van een schenking. De betalingsverplichting vloeide immers rechtstreeks voort uit de huwelijkse voorwaarden. Zij verwees daarbij onder meer naar rechtspraak van de Hoge Raad waarin het aangaan van een huwelijksgoederengemeenschap niet direct tot een schenking leidt. De rechtbank ziet een wezenlijk verschil. Bij het aangaan van bijvoorbeeld een beperkte gemeenschap van goederen staat nog niet vast welke uiteindelijke vermogensverschuiving tussen echtgenoten zal plaatsvinden. Vermogens kunnen gedurende het huwelijk immers nog wijzigen.
In deze zaak was daarentegen een concreet en bepaalbaar bedrag toegekend aan één echtgenoot. Alleen het moment waarop het recht daadwerkelijk tot uitkering kwam, hing af van een toekomstige gebeurtenis: beëindiging van het huwelijk anders dan door overlijden. De rechtbank kwalificeert de afspraak daarom als een schenking onder opschortende voorwaarde. Toen in 2019 de echtscheiding plaatsvond, werd die voorwaarde vervuld. Voor de Successiewet wordt de schenking op dat moment geacht tot stand te zijn gekomen. De vrouw werd voor € 360.000 verrijkt ten koste van haar voormalige echtgenoot.
Bevoordelingsbedoeling beoordelen bij aangaan afspraak
Ook het argument dat bij de daadwerkelijke betaling geen bevoordelingsbedoeling meer aanwezig was, slaagt niet. Bij een overeenkomst moet volgens de rechtbank worden beoordeeld of de bevoordelingsbedoeling aanwezig was op het moment waarop de overeenkomst werd gesloten. Bij het opnemen van de uitkering in de huwelijkse voorwaarden wilde de man zijn echtgenote volgens de rechtbank bewust bevoordelen. Dat hij jaren later slechts uitvoering gaf aan een juridisch afdwingbare verplichting, verandert dat niet. Dit is voor de adviespraktijk een relevant aandachtspunt: niet alleen het moment van betaling telt, maar ook het karakter van de afspraak op het moment waarop deze wordt gemaakt.
Etiket ‘natuurlijke verbintenis’ is onvoldoende
Vervolgens deed de vrouw een beroep op de vrijstelling van artikel 33, aanhef en onderdeel 12, Successiewet 1956. Een schenking die strekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis kan namelijk zijn vrijgesteld van schenkbelasting. Een natuurlijke verbintenis kan onder meer bestaan wanneer iemand tegenover een ander een dringende morele verplichting heeft die volgens maatschappelijke opvattingen behoort te worden nagekomen. Die beoordeling vindt echter plaats aan de hand van een objectieve maatstaf. Dat echtgenoten zelf in hun huwelijkse voorwaarden en later nogmaals in het echtscheidingsconvenant verklaren dat sprake is van een dringende verplichting van moraal en fatsoen, maakt daarvan dus nog geen natuurlijke verbintenis. Daar komt bij dat in het echtscheidingsconvenant juist was vastgelegd dat beide ex-echtgenoten in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. Om die reden was ook geen partneralimentatie overeengekomen.
De vrouw maakte volgens de rechtbank daarom niet aannemelijk dat objectief bezien sprake was van een natuurlijke verbintenis. De vrijstelling kon niet worden toegepast. Het beroep tegen de aanslag schenkbelasting werd ongegrond verklaard.
Verschil met een wederkerig finaal verrekenbeding
De uitspraak moet niet zo worden gelezen dat iedere vermogensrechtelijke afspraak in huwelijkse voorwaarden automatisch een schenking vormt. Fintool behandelde eerder het standpunt dat het aangaan van een wederkerig verplicht finaal verrekenbeding, waarbij echtgenoten bijvoorbeeld bij echtscheiding of overlijden afrekenen alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd, in beginsel geen gift vormt. Bij het aangaan van zo'n beding staat immers nog niet vast wie uiteindelijk wordt bevoordeeld en met welk bedrag. In de nu berechte zaak lag dat anders. Eén specifieke echtgenoot kreeg bij echtscheiding recht op een vooraf bepaalbaar bedrag. De rechtbank vindt daarom dat al bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden sprake was van een bevoordeling onder opschortende voorwaarde. Juist dit onderscheid is van belang bij de beoordeling van huwelijkse voorwaarden.
Aandachtspunten voor de adviseur
Bij bestaande of nieuwe huwelijkse voorwaarden verdient het aanbeveling om afzonderlijke betalingsrechten bij echtscheiding ook vanuit de schenkbelasting te beoordelen. Let daarbij met name op:
Alleen opnemen dat een betaling bedoeld is als verzorging of als nakoming van een morele verplichting biedt onvoldoende bescherming tegen schenkbelasting. De uitspraak is afkomstig van de rechtbank en betreft dus rechtspraak in eerste aanleg. Tegen de uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 oktober 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9922, zaak BRE 24/6758
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99