MijnFintool

Nieuws

Tijdelijke verhuur tijdens uitzending: geen terugkeer naar box 1 na einde verhuur

Wie voor enkele jaren naar het buitenland wordt uitgezonden, kan onder voorwaarden de woning in Nederland in box 1 houden. Een belangrijke voorwaarde van deze zogenoemde uitzendregeling is dat de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld. Rechtbank Noord-Nederland bevestigt nu dat een tijdelijke verhuur tijdens de uitzending verstrekkende gevolgen heeft: ook nadat de huurder is vertrokken, herleeft de uitzendregeling niet. Pas wanneer de belastingplichtige na afloop van de uitzending weer zelf in de woning gaat wonen, kan de woning opnieuw een eigen woning in box 1 worden.

Uitzending naar Bonaire
Belanghebbende werd door zijn werkgever van 1 oktober 2019 tot 1 oktober 2023 uitgezonden naar Bonaire. Hij en zijn echtgenote waren gezamenlijk eigenaar van hun voormalige hoofdverblijf in Nederland. Tijdens de uitzending werd deze woning van 14 september 2020 tot 16 augustus 2022 aan derden verhuurd. Over de verhuurperiode behandelde belanghebbende de woning als box 3-bezitting.

Na het vertrek van de huurders kwam de woning vanaf 16 augustus 2022 weer beschikbaar voor eigen gebruik. Belanghebbende woonde echter nog steeds op Bonaire. Hij meende dat vanaf dat moment opnieuw gebruik kon worden gemaakt van de uitzendregeling.

In zijn aangifte IB/PVV 2022 nam hij daarom voor de periode vanaf 16 augustus een eigenwoningforfait van € 1.121 op en trok hij € 9.530 aan hypotheekrente af. Per saldo resulteerde dit in een negatieve opbrengst uit eigen woning van € 8.409. De inspecteur corrigeerde deze aftrek.

Voorwaarden uitzendregeling
Artikel 3.111, zesde lid, Wet IB 2001 maakt het mogelijk een voormalige eigen woning tijdens een tijdelijk verblijf elders toch als eigen woning aan te merken. Daarvoor geldt onder meer dat:

  • de woning voorafgaand aan het vertrek ten minste één jaar als eigen woning ter beschikking heeft gestaan;
  • het verblijf elders tijdelijk is;
  • de woning tijdens die periode niet aan derden ter beschikking wordt gesteld; en
  • de belastingplichtige en zijn partner niet met betrekking tot een andere woning belastbare inkomsten uit eigen woning genieten.

Vooral het woord ‘sindsdien’ in de wettelijke regeling is in deze procedure van belang.

Verhuur verbreekt de regeling
Volgens de rechtbank werd vanaf 14 september 2020, de datum waarop de verhuur begon, niet meer voldaan aan de voorwaarde dat de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld. Daarmee eindigde de toepassing van de uitzendregeling. Dat de verhuur op 16 augustus 2022 stopte, verandert daar niets aan. Uit het woord ‘sindsdien’ volgt volgens de rechtbank dat vanaf het moment waarop de woning niet langer het hoofdverblijf is, voortdurend aan de voorwaarden van de uitzendregeling moet worden voldaan. Is de woning tijdens de uitzending eenmaal aan een derde ter beschikking gesteld, dan kan de woning gedurende diezelfde uitzendperiode niet opnieuw onder artikel 3.111, zesde lid, Wet IB 2001 worden gebracht.

Deze uitleg is niet nieuw. De Hoge Raad besliste op 20 februari 2015 al hetzelfde in ECLI:NL:HR:2015:355. In die procedure speelde eveneens de vraag of de uitzendregeling na een tijdelijke verhuurperiode binnen een langere uitzending kon herleven. De Hoge Raad beantwoordde die vraag ontkennend.

Leegstand na verhuur is dus niet voldoende
Voor de adviespraktijk is vooral van belang dat onderscheid wordt gemaakt tussen twee situaties. Staat de woning vanaf het begin van de tijdelijke uitzending leeg en wordt zij niet aan derden ter beschikking gesteld, dan kan – als ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan – de uitzendregeling toepassing vinden. Wordt de woning tijdens de uitzending daarentegen eerst verhuurd en komt zij daarna leeg te staan, dan is die latere leegstand onvoldoende om de uitzendregeling weer te activeren. De woning keert dus niet simpelweg terug naar box 1 doordat de huurder vertrekt.

In deze zaak keerde belanghebbende pas in oktober 2023 daadwerkelijk terug naar zijn Nederlandse woning. Vanaf dat moment kon de normale eigenwoningregeling weer in beeld komen.

Geen uitzondering vanwege bijzondere omstandigheden
Belanghebbende voerde aan dat deze uitkomst in zijn situatie onredelijk was. De woning stond na augustus 2022 immers weer voor eigen gebruik ter beschikking en werd niet als beleggingspand aangehouden. Hij wees daarnaast op veranderende verhuurregelgeving, de onzekerheid over de duur van zijn uitzending en slechte ervaringen met een eerdere huurder. De rechtbank kan daarmee echter geen rekening houden bij de toepassing van de wettelijke voorwaarden.

De rechter moet volgens de wet rechtspreken en mag niet op grond van de redelijkheid of billijkheid afwijken van de duidelijke wettelijke regeling.

Ook een beroep op het evenredigheidsbeginsel hielp niet. Volgens de rechtbank heeft de inspecteur bij de beoordeling of aan artikel 3.111, zesde lid, Wet IB 2001 wordt voldaan feitelijk geen ruimte voor een individuele belangenafweging. De voorwaarden volgen rechtstreeks uit de wet.

Belangrijk onderscheid: terugkeer in de woning
De uitspraak betekent niet dat een tijdelijk verhuurde voormalige eigen woning nooit meer naar box 1 kan terugkeren. Bij daadwerkelijke terugkeer uit het buitenland en hervatting van de bewoning als hoofdverblijf kan de woning weer een eigen woning worden in de zin van artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001. Fiscaal is dat een ander moment dan het enkele einde van de verhuur.

Dit onderscheid is ook relevant voor de eigenwoningschuld. Bij verhuur en verblijf in het buitenland kunnen woning en schuld tijdelijk in box 3 terechtkomen. Wanneer de belastingplichtige later daadwerkelijk terugkeert naar dezelfde woning, kan de schuld – afhankelijk van de omstandigheden en het toepasselijke overgangsrecht of aflossingsschema – opnieuw als eigenwoningschuld kwalificeren.

Adviespraktijk: keuze voor verhuur vooraf goed doorrekenen
Voor adviseurs is het daarom belangrijk vóór een uitzending duidelijk vast te leggen wat met de Nederlandse woning gebeurt. Een tijdelijke verhuur kan aantrekkelijk lijken omdat daarmee gedurende de buitenlandse periode huurinkomsten worden ontvangen, maar fiscaal is de consequentie dat de uitzendregeling wordt doorbroken. Een vroegtijdig beëindigde huurovereenkomst repareert dat niet. Bij een cliënt die verwacht tijdens de uitzending mogelijk weer over de woning te willen beschikken, is het daarom verstandig vooraf ten minste drie perioden afzonderlijk te beoordelen:

  1. de periode tussen vertrek en aanvang van eventuele verhuur;
  2. de verhuurperiode; en
  3. de periode tussen einde verhuur en daadwerkelijke terugkeer in de woning.

De fiscale kwalificatie kan per periode verschillen, maar de uitzendregeling kan na de verhuur binnen dezelfde uitzending niet opnieuw worden toegepast.

Al in 2015 beslist
De uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland is inhoudelijk vooral een bevestiging van bestaande jurisprudentie. Fintool besteedde hier op 24 februari 2015 al uitgebreid aandacht aan naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad. Ook toen stond exact dezelfde vraag centraal: herleeft de uitzendregeling na een korte verhuurperiode binnen een langere uitzendperiode? Het antwoord van de Hoge Raad was nee.

De nieuwe uitspraak laat zien dat deze regel in de praktijk nog steeds tot misverstanden leidt. Het einde van een tijdelijke verhuur moet niet worden verward met het einde van de uitzending of met de daadwerkelijke terugkeer naar het hoofdverblijf.

Bron: Rechtbank Noord-Nederland 17 september 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3968

Modules & dossiers

Opvoerdatum

25 sep 2026

Laatst gewijzigd

02 okt 2026

Reacties

Er zijn (nog) geen reacties op dit artikel

Graag eerst inloggen om deze pagina te bekijken.

Professionele onderbouwing van jouw klantdossier

Combineer de snelheid van onze specifiek op Nederlandse wet- en regelgeving getrainde AI met de diepgaande expertise van vakspecialisten. Fintool biedt de zekerheid van een altijd vakkundig onderbouwd dossier.
Lees verder

Fintool bv © 2003/2026. Alle rechten voorbehouden.
Lees graag de leveringsvoorwaarden en het privacy reglement.

1
1