De staatssecretaris heeft Kamervragen beantwoord over de CPB-publicatie Erfbelasting in beeld: feiten, percepties en voorkeuren van Nederlanders. De beantwoording is vooral relevant omdat zij de eerdere, politiek gevoelige conclusie over “draagvlak voor een progressievere erfbelasting” duidelijk nuanceert. Uit het CPB-onderzoek volgt volgens de staatssecretaris wel dat veel respondenten grotere erfenissen zwaarder willen belasten dan kleinere erfenissen. Maar daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat er ook draagvlak bestaat voor méér progressie dan in het huidige stelsel al aanwezig is
Huidig stelsel is al progressief
De staatssecretaris wijst erop dat de Nederlandse erfbelasting al progressief uitwerkt. De belastingdruk hangt niet alleen af van de omvang van de verkrijging, maar ook van de relatie tot de overledene en van het type vermogen. In de CPB-enquête zijn respondenten niet geïnformeerd over de huidige vrijstellingen, tarieven, schijfgrenzen en verschillen naar verwantschap. Ook is onduidelijk of respondenten bij hun antwoord dachten aan marginale tarieven of effectieve tarieven.
Dat is voor de adviespraktijk een belangrijk onderscheid. Een maatschappelijke voorkeur voor “grote erfenissen zwaarder belasten” is niet hetzelfde als steun voor een concreet wetsvoorstel met hogere tarieven, lagere vrijstellingen of aangepaste tariefgroepen.
Mediane voorkeurstarieven leveren juist minder op
Een opvallend onderdeel van de beantwoording is de doorrekening van de mediane voorkeurstarieven uit de CPB-studie. In de enquête ging het om erfenissen van ouders aan kinderen, met voorkeurstarieven van 4% vanaf € 10.000, 11% vanaf € 100.000 en 25% vanaf € 1 miljoen. Als deze percentages als marginale tarieven zouden worden ingevoerd voor schenkingen en erfenissen van ouders aan kinderen, leidt dat volgens de staatssecretaris structureel tot een budgettaire derving van € 690 miljoen ten opzichte van de huidige opbrengst uit de schenk- en erfbelasting. Daarbij is onder meer uitgegaan van verlaging van de kindvrijstelling in de erfbelasting naar € 10.000, terwijl de vrijstellingen in de schenkbelasting voor kinderen ongewijzigd blijven.
Daarmee ontstaat een opmerkelijke spanning: de publieke discussie kan de indruk wekken dat de CPB-voorkeurstarieven wijzen op ruimte voor extra opbrengst, maar de kabinetsdoorrekening laat juist een lagere structurele opbrengst zien.
Schenkbelasting steeg door meer én grotere schenkingen
De staatssecretaris bevestigt ook dat de opbrengst van de schenkbelasting tussen 2017 en 2022 fors is gestegen. Volgens de beantwoording hangt dit samen met twee ontwikkelingen: er is vaker geschonken, vooral van ouders aan kinderen, en de gemiddelde omvang van schenkingen is toegenomen. Die conclusie is gebaseerd op CBS-statistieken uit aangiften schenkbelasting.
Voor de praktijk betekent dit dat schenkplanning nog nadrukkelijker in beeld is. Niet alleen vanwege de fiscale behandeling zelf, maar ook omdat beleidsmakers schenkingen steeds meer bezien als onderdeel van het bredere vermogensdomein.
Beperkt zicht op vrijgestelde verkrijgingen
Een ander aandachtspunt is de beschikbare data. Over erfenissen die gelijk zijn aan of lager zijn dan de vrijstelling hoeft geen aangifte erfbelasting te worden gedaan. Volgens de beantwoording wordt over ongeveer 75% van het nagelaten vermogen aangifte erfbelasting gedaan. Voor schenkingen ligt het beeld anders: op basis van een enquête is geschat dat 75% van alle schenkingen van ouders aan kinderen in een kalenderjaar onder de jaarlijkse vrijstelling valt.
De staatssecretaris ziet een verplichte aangifte voor alle vrijgestelde verkrijgingen niet als eenvoudige oplossing. Dat zou zowel voor burgers als voor de Belastingdienst een aanzienlijke administratieve en uitvoeringslast betekenen, zeker bij nalatenschappen waarbij erfgenamen uiteindelijk geen erfbelasting verschuldigd zijn.
Modernisering forfaits nog niet beslist
De modernisering van de forfaits in de schenk- en erfbelasting loopt nog. Het gaat onder meer om forfaits die zijn gebaseerd op rente en levensverwachting. Eerder schreef Fintool al dat het kabinet deze forfaits wil actualiseren, omdat zij sinds 1980 niet meer zijn aangepast. In het moderniseringsvoorstel wordt onder meer gekeken naar een rekenrente die aansluit bij actuele marktrentes en periodiek wordt geactualiseerd. Fintool wees daarbij al op de gevolgen voor wettelijke verdelingen, onderbedelingsvorderingen en papieren schenkingen.
In de beantwoording meldt de staatssecretaris dat een stakeholderbijeenkomst heeft plaatsgevonden met onder meer de NOB, KNB, RB en EPN. De feedback dient als input voor politieke besluitvorming. Een besluit is dus nog niet genomen.
Papieren schenking nadrukkelijk op de radar
Voor papieren schenkingen noemt de staatssecretaris twee verkende maatregelen. De eerste is een lagere rentevergoeding. De huidige 6%-rente zou bij modernisering van de rekenrente op basis van de huidige renteverwachtingen per 1 januari 2028 uitkomen op circa 3%. Dat verlaagt de jaarlijkse onbelaste vermogensoverdracht via rentebetalingen, maar kan papieren schenkingen tegelijk toegankelijker maken voor schenkers met minder liquiditeiten. Per saldo verwacht het kabinet dat het fiscale voordeel afneemt.
De tweede optie is zwaarder: een fictieve verkrijging voor de schenk- en erfbelasting. Daarbij zou de aflossing van een papieren schenking tijdens leven als belaste schenking kunnen worden aangemerkt. Het nog niet afgeloste deel zou bij overlijden als fictieve verkrijging in de erfbelasting worden betrokken. Eerder betaalde schenkbelasting kan dan worden verrekend om dubbele heffing te voorkomen.
Fintool signaleerde eerder al dat papieren schenkingen op de lijst van opmerkelijke belastingconstructies staan en dat een fictieve verkrijging als mogelijke maatregel wordt genoemd.
De beantwoording maakt duidelijk dat adviseurs voorzichtig moeten zijn met stellige conclusies uit het CPB-onderzoek. Er is wel steun voor progressie als abstract beginsel, maar het onderzoek geeft geen harde basis voor de conclusie dat Nederlanders het huidige stelsel progressiever willen maken. Sterker nog: toepassing van de mediane voorkeurstarieven uit de studie zou volgens de staatssecretaris juist minder opleveren dan het huidige stelsel.
Voor lopende estateplanningdossiers blijft vooral het beleidsrisico rond papieren schenkingen, renteafspraken en forfaitaire waarderingen relevant. De 6%-rente is geen vanzelfsprekend vast anker meer. Ook bestaande papieren schenkingen verdienen herbeoordeling zodra duidelijker wordt of de wetgever kiest voor alleen een lagere rekenrente, of ook voor een fictieve verkrijging die het progressievoordeel grotendeels wegneemt.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99