MijnFintool

Nieuws

Pensioenadviseur niet aansprakelijk voor latere PFZW-verplichtstelling

Een werkgever die achteraf onder een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds blijkt te vallen, kan geconfronteerd worden met forse financiële gevolgen. In deze zaak ging het om een bijstorting van ruim € 275.000 om de bij Allianz ondergebrachte pensioenregeling actuarieel gelijkwaardig te maken aan de PFZW-regeling. Toch hoeft de pensioenadviseur deze schade niet te vergoeden.

De Rechtbank Midden-Nederland oordeelde op 27 mei 2026 dat de pensioenadviseur niet tekortgeschoten is in de uitvoering van de advies- en beheerovereenkomst. De kern: de werkgever had een relevante wijziging in de bedrijfsactiviteiten niet gemeld. Daardoor kon van de adviseur niet worden verwacht dat hij opnieuw zou waarschuwen voor een mogelijke verplichte aansluiting bij PFZW.

Casus
Specialistennet Psychologie B.V. had sinds 2013 een pensioenregeling bij Allianz. De werkgever en pensioenadviseur sloten een samenwerkingsovereenkomst op grond waarvan de adviseur zou adviseren over de pensioenregeling en het beheer daarvan zou verzorgen.

Eind 2017 liep de uitvoeringsovereenkomst met Allianz af. De werkgever gaf de adviseur opdracht om te adviseren over het opnieuw onderbrengen van de pensioenregeling. De adviseur concludeerde dat de werkgever niet onder de reikwijdte van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds viel. De pensioenregeling werd per 1 januari 2018 opnieuw bij Allianz ondergebracht.

PFZW stelde later aanvankelijk dat de werkgever vanaf 1 januari 2017 verplicht aangesloten was. Die datum werd daarna verschoven naar 1 augustus 2018. Dat was het moment waarop een psychiater bij de praktijk werd betrokken. Volgens PFZW bracht juist die betrokkenheid de onderneming onder de verplichtstelling.

De werkgever paste haar activiteiten vervolgens aan, zodat zij per 1 januari 2024 niet meer onder de verplichtstelling viel. Voor de periode 1 augustus 2018 tot en met 31 december 2023 werd de Allianz-regeling actuarieel gelijkwaardig gemaakt aan PFZW. Daarvoor moest € 275.680,37 worden bijgestort. De totale schade werd door de werkgever begroot op € 325.680,37.

Algemene voorwaarden: vervalbeding niet van toepassing
De pensioenadviseur beriep zich eerst op een vervalbeding in de algemene voorwaarden. Volgens dat beding zou ieder recht van de opdrachtgever vervallen na vijf jaar vanaf de dag van het advies. Dat verweer slaagde niet. De rechtbank vond onvoldoende onderbouwd dat de algemene voorwaarden bij het sluiten van de overeenkomst daadwerkelijk ter hand waren gesteld. De enkele verwijzing naar de algemene voorwaarden als bijlage bij de overeenkomst was daarvoor onvoldoende. De werkgever had de algemene voorwaarden daarom kunnen vernietigen. Dit onderdeel van de uitspraak is praktisch relevant. Voor adviseurs blijft het essentieel om te kunnen bewijzen dat algemene voorwaarden tijdig zijn verstrekt. Een verwijzing in de overeenkomst is niet altijd genoeg.

Geen fout in de adviesfase
De rechtbank kwam daarna toe aan de inhoudelijke vraag: had de pensioenadviseur in 2017 moeten waarschuwen voor PFZW? Volgens de werkgever had de adviseur onvoldoende onderzoek gedaan naar de verplichtstelling. De rechtbank volgde dat niet. De adviseur had toegelicht dat in 2013 uitgebreid onderzoek was gedaan en dat er in 2017 geen aanwijzingen waren dat de bedrijfsactiviteiten waren gewijzigd. De activiteiten waren volgens de informatie van de werkgever nog steeds consultancy-gerelateerd en gericht op re-integratie en arbobegeleiding. Belangrijk is dat de rechtbank niet aannam dat de werkgever al vanaf 1 januari 2017 onder PFZW viel. PFZW had die datum aanvankelijk genoemd, maar later juist 1 augustus 2018 aangehouden, gekoppeld aan de betrokkenheid van de psychiater. De werkgever kon onvoldoende onderbouwen dat ook los van die psychiater al sprake was van een verplichte aansluiting. Ook de SBI-code hielp de werkgever niet. Voor de vraag of een onderneming onder een verplichtstelling valt, zijn de feitelijke bedrijfsactiviteiten doorslaggevend. De SBI-code is daarvoor niet beslissend.

Geen doorlopende waarschuwingsplicht zonder aanleiding
Na 1 januari 2018 begon de beheerfase. Ook daarin zag de rechtbank geen tekortkoming. De adviseur verzorgde het beheer van de pensioenregeling, waaronder het aanmelden van werknemers nadat de werkgever relevante gegevens had verstrekt. De psychiater was echter als externe zelfstandige betrokken. Zij werd niet als werknemer aangemeld en de werkgever informeerde de adviseur niet over de wijziging in de bedrijfsactiviteiten. In de overeenkomst stond juist dat de werkgever relevante gegevens tijdig moest aanleveren. De rechtbank maakte bovendien duidelijk dat uit de overeenkomst geen doorlopende adviesrelatie volgde. De adviseur hoefde na het onderbrengen van de pensioenregeling niet kosteloos en zonder concrete aanleiding opnieuw onderzoek te doen naar een mogelijke verplichtstelling.

AFM-leidraad is geen wet
De werkgever beriep zich ook op de AFM-Leidraad tweedepijler pensioenadvisering. Volgens de rechtbank kan de werkgever zich daarop niet rechtstreeks beroepen. De leidraad geeft invulling aan Wft-normen en is bedoeld voor de adviespraktijk, maar heeft niet de status van wet- en regelgeving. Dat betekent niet dat een leidraad irrelevant is. In de praktijk kan een leidraad wel richting geven aan de professionele standaard. Maar in deze zaak was onvoldoende grond om te concluderen dat de adviseur in strijd met zijn zorgplicht of informatie- en adviesverplichtingen had gehandeld.

Praktijkles voor adviseur en werkgever
Deze uitspraak laat zien dat bij pensioenadvies over een collectieve regeling de afbakening van de opdracht belangrijk is. Een onderzoek naar verplichtstelling is geen eenmalig administratief vinkje, maar hangt sterk af van de actuele bedrijfsactiviteiten. Voor de adviseur is vooral van belang om vast te leggen:

  1. welke bedrijfsactiviteiten zijn geïnventariseerd;
  2. op welke bronnen het verplichtstellingsonderzoek is gebaseerd;
  3. welke aannames van de werkgever afkomstig zijn;
  4. dat wijzigingen in activiteiten, personeel, zelfstandigen of dienstverlening opnieuw gemeld moeten worden;
  5. of sprake is van een adviesfase, beheerfase of expliciete nazorgopdracht.

Voor werkgevers is de les minstens zo duidelijk. Een pensioenadviseur kan alleen adviseren op basis van de informatie die hij krijgt. Worden bedrijfsactiviteiten uitgebreid of verandert de aard van de dienstverlening, dan kan dat gevolgen hebben voor een verplichtstelling. Denk aan nieuwe zorgactiviteiten, detachering, vervoer, bouw, horeca of andere sectoren met een verplichtgesteld fonds.

Conclusie
De vorderingen van de werkgever zijn afgewezen. De pensioenadviseur was niet aansprakelijk voor de schade door de latere PFZW-verplichtstelling. Doorslaggevend was dat de relevante wijziging in bedrijfsactiviteiten niet aan de adviseur was gemeld en dat geen sprake was van een doorlopende adviesplicht om zonder aanleiding opnieuw verplichtstellingsonderzoek te doen.

Bron: Rechtspraak

Modules & dossiers

Opvoerdatum

10 jun 2026

Laatst gewijzigd

11 jun 2026

Reacties

Er zijn (nog) geen reacties op dit artikel

Graag eerst inloggen om deze pagina te bekijken.

Permanent Actueel met Fintool?

Als professioneel financieel adviseur moet en wilt u bijblijven en dat het liefst in zo weinig mogelijk (kostbare) tijd. Dat kan nu met Fintool.nl! Meld u nu aan als abonnee en krijg toegang tot de Kennisbank, Rekenmodellen en Helpdesk.
Lees verder

Fintool bv © 2003/2026. Alle rechten voorbehouden.
Lees graag de leveringsvoorwaarden en het privacy reglement.

1
1