Casus in het kort
- X woont in Nederland en bezit alle aandelen in X BV.
- Y (dochter) woont in het buitenland, koopt daar een woning en leent daarvoor geld van X BV.
- Y is niet belastingplichtig in Nederland, maar is wél een verbonden persoon van X in de zin van art. 4.14b Wet IB 2001.
De vraag
Kan die schuld van Y aan X BV, voor de toepassing van art. 4.14a lid 6 jo. art. 4.14b Wet IB 2001, worden aangemerkt als een eigenwoningschuld (art. 3.119a Wet IB 2001)?
Antwoord van de Kennisgroep: ja – maar met een belangrijke “alsof”-toets
De Kennisgroep antwoordt ja: de schuld van het in het buitenland wonende kind kan kwalificeren als eigenwoningschuld, als de woning onder de Nederlandse box 1-heffing zou vallen én wordt voldaan aan de voorwaarden van art. 3.119a lid 1 onderdelen a, b en c.
Cruciaal detail: omdat Y niet in Nederland belastingplichtig is, kan Y niet voldoen aan de informatieverplichting van art. 3.119a lid 1 onderdeel d (via art. 3.119g). De Kennisgroep vindt het dan “redelijk en passend” om die voorwaarde buiten beschouwing te laten voor deze specifieke toepassing binnen de excessief-lenenregeling.
Wat betekent dit praktisch voor “excessief lenen”?
1) De verbonden-persoonschuld telt normaal gesproken mee bij de DGA
De wet telt bij excessief lenen niet alleen schulden van de aanmerkelijkbelanghouder zelf mee, maar óók die van onder meer verbonden personen (zoals kinderen).
2) Maar eigenwoningschulden kunnen worden uitgezonderd (mits hypotheekrecht)
Eigenwoningschulden blijven bij excessief lenen buiten aanmerking, voor zover er een recht van hypotheek op de eigen woning is verstrekt aan de BV (art. 4.14a lid 6). Dit geldt ook voor de eigenwoningschuld van een verbonden persoon (via art. 4.14b).
Let op: het standpunt zegt dat de schuld “een eigenwoningschuld kan zijn”; daarmee ben je er nog niet. In de praktijk is juist het hypotheekrecht vaak de bottleneck, zeker bij buitenlands vastgoed (lokale notariële vereisten, kadastrale inschrijving, taal/akten, kosten, rangorde). Zonder (kwalificerend) hypotheekrecht kan de schuld alsnog meetellen in de excessief-lenenpositie.
Checklist voor de adviespraktijk (DGA → buitenlands wonend kind)
Wil je maximaal aansluiten bij dit KG-standpunt, dan ligt de focus op drie sporen:
- Doel en aanwending (art. 3.119a lid 1a – “in verband met een eigen woning”)
Leg vast dat de lening is aangegaan voor aankoop/verbetering van de woning van het kind. - Aflossingseis (art. 3.119a lid 1b en 1c – annuïtair/lineair in max. 360 maanden, en naleving)
Zorg voor een aflossingsschema dat voldoet aan de Nederlandse systematiek (ook al is het kind niet NL-belastingplichtig). - Hypotheekrecht ten gunste van de BV (art. 4.14a lid 6)
Regel – voor zover civielrechtelijk mogelijk in het betreffende land – een hypotheek/zekerheidsrecht op de buitenlandse woning ten gunste van de BV. - Praktische tip: betrek tijdig een lokale notaris/jurist om te beoordelen welk zekerheidsrecht functioneel gelijk is aan een NL-hypotheekrecht en hoe dit moet worden gevestigd.
Waarom is dit standpunt nieuwswaardig?
Tot nu toe zat er in de praktijk onzekerheid op de vraag: “Je kunt toch geen box 1-eigenwoningschuld hebben als je niet NL-belastingplichtig bent?” De Kennisgroep maakt nu expliciet dat je voor deze toepassing binnen excessief lenen een hypothetische box 1-toets mag doen (de “alsof de woning in box 1 zou vallen”-benadering) en dat de informatie-eis (onderdeel d) daarbij niet blokkeert.
Bron : Kennisgroepen Belastingdienst – KG:003:2026:2 (publicatie 04-02-2026)