Vanaf 1 januari 2008 kan bij banken belastingvrij worden gespaard voor pensioen en hypotheek. Deze extra concurrentie moet de consument, die nu alleen nog gebruik kan maken van verzekeringsproducten, financiële voordelen opleveren, zo is de bedoeling.
De consument kan volgend jaar kiezen voor een spaarrekening voor zijn pensioen of hypotheek. Vanwege de fiscale voordelen zijn er wel voorwaarden verbonden aan de spaarrekening. Het gespaarde geld moet exclusief en eenmalig worden gebruikt voor een aanvullend pensioen (bij pensioensparen) of voor aflossing van de hypotheekschuld (bij hypotheeksparen). De rekening is geblokkeerd en er gelden eisen aan het bedrag dat jaarlijks wordt gestort en de duur van de blokkering.
Naast een spaarrekening kunnen consumenten ook kiezen voor een beleggersrekening. Ook dat is een geblokkeerde rekening, maar in plaats van voor een vaste rente te sparen kan de consument dan zelf een beleggingsportefeuille samenstellen en daarop rendement behalen.
De fiscale voordelen bij pensioensparen en hypotheeksparen zijn verschillend. Het eerste heeft betrekking op de zogenaamde derde pijler in de oudedagsvoorziening (naast AOW en bedrijfspensioen). Wie fiscale ruimte over heeft voor een extra oudedagsvoorziening kan de jaarlijkse storting op zijn geblokkeerde rekening aftrekken van zijn inkomen.
Het bedrag dat voor de eigen woning wordt gespaard valt in box 1, dus hoeft er geen vermogensrendementsheffing betaald te worden. De uitkering van het kapitaal is tot 143.000 euro belastingvrij. Dat bedrag wordt jaarlijks aan de inflatie aangepast.
Hoewel de regelingen voor verzekering en banksparen fiscaal zo veel mogelijk gelijk worden behandeld, zijn er verschillen die nog uitwerking vergen. Een verzekerde kan aangeven naar wie het geld gaat bij overlijden, terwijl een rekening onder het erfrecht valt. En een lijfrenteverzekering kan uitkeren tot de dood, terwijl een bankrekeningsaldo eindig is.
Net als verzekeraars moeten banken bij hypotheek- en pensioenvoorzieningen kosten maken voor de informatieplicht aan de fiscus en de advisering aan de klant. Mede daarom verwachten verzekeraars weinig prijsverschillen.
De Tweede Kamer voorziet dat door lagere prijzen en toenemende transparantie meer geld opzij wordt gezet voor hypotheekaflossing en pensioen. Daardoor zou 130 miljoen euro aan belastinginkomsten worden misgelopen. De helft daarvan wordt opgebracht door een verhoging van de assurantiebelasting. De andere helft van de kosten wordt gedekt door verlaging van het maximum dat jaarlijks kan worden bestemd voor de oudedagsvoorziening tot 120.000 euro. Mensen met een hoger inkomen kunnen daardoor financieel nadeel ondervinden.
Die verlaging vindt hoogleraar toekomstvoorzieningen Dietvorst (Interpolis) een bezwaar. “De verlaging van de inkomensgrens treft vooral ondernemers. Aan pensioenen voor werknemers zit geen inkomensgrens. Zo krijg je een ongelijke behandeling.” Hij vraagt zich af of het allemaal zoveel overzichtelijker, toegankelijker en goedkoper wordt. “Het huidige wetsvoorstel kent veel twijfelachtige aannames. Het enige vaststaande is dat de verzekeringswereld op z'n kop wordt gezet.”
Het wordt waarschijnlijk lastig om bankspaarproducten één-op-één te vergelijken met verzekeringsproducten met spaar- of beleggingscomponenten. Bij banksparen moeten apart verzekeringen worden afgesloten voor overlijdensrisico en eventueel arbeidsongeschiktheid. Ook is voorzichtigheid geboden bij het omzetten van een bestaande verzekering naar een spaarrekening. Bij pensioenverzekeringen gelden verschillende fiscale regimes, die bij overgang naar banksparen expliciet moeten worden opgenomen, anders gaan mogelijk interessante fiscale voordelen verloren.
Na de zomer beslist de Eerste Kamer over het voorstel. Dan wordt ook bekeken hoe wordt omgegaan met specifieke verschillen tussen verzekeringen en banksparen.
Bron: Het Financieele Dagblad, 11-08-2007
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99