Een assurantietussenpersoon die tijdens de looptijd van een brandverzekering niet controleert of de verzekerde herbouwwaarde nog toereikend is, kan aansprakelijk zijn voor schade door onderverzekering. Maar ook de verzekeringnemer kan een eigen verantwoordelijkheid hebben. Rechtbank Rotterdam verdeelt de schade in een recente uitspraak in de verhouding 75% voor de tussenpersoon en 25% voor de ondernemer.
De zaak betrof een bedrijfspand dat op 25 januari 2023 door brand verloren ging. Na de brand bleek dat het pand was onderverzekerd. De schade die daardoor niet door de verzekering werd gedekt, bedroeg € 108.461.
Polis drie jaar niet gecontroleerd
De tussenpersoon erkende dat het op haar weg had gelegen om gedurende de drie jaar dat de verzekering liep de brandverzekering te controleren. Daarbij had de tussenpersoon moeten nagaan of de verzekering nog de gewenste dan wel vereiste dekking bood. Dat was niet gebeurd. Daarmee stond vast dat de tussenpersoon was tekortgeschoten in haar zorgplicht. De discussie ging vervolgens vooral over het causale verband en de eigen verantwoordelijkheid van de verzekeringnemer.
Gratis taxatie met garantie tegen onderverzekering
Een belangrijk element in de zaak was de mogelijkheid om een gratis taxatie te laten uitvoeren waaraan een garantie tegen onderverzekering was verbonden. Volgens de tussenpersoon was niet aannemelijk dat de verzekeringnemer zo'n taxatie zou hebben laten uitvoeren als de tussenpersoon daar tijdens de looptijd op had gewezen. Bij het afsluiten van de verzekering was immers evenmin voor een taxatie gekozen.
De rechtbank volgt dat verweer niet.
Volgens de rechtbank ligt het juist voor de hand dat een verzekeringnemer het advies van zijn assurantietussenpersoon om een gratis taxatie te laten uitvoeren zal opvolgen wanneer daarbij wordt gewezen op zowel het risico van onderverzekering als de daaraan gekoppelde garantie tegen onderverzekering. Dat bij de aanvraag geen taxatie was uitgevoerd, maakte dat niet anders. Niet was gebleken dat de tussenpersoon destijds daadwerkelijk had geadviseerd om de gratis taxatie te laten verrichten en dat de klant daar vervolgens bewust van had afgezien. Daar kwam bij dat in de jaren na het sluiten van de verzekering de bouw- en materiaalkosten sterk waren gestegen. Dat maakte een controle van de verzekerde waarde juist relevanter. De rechtbank neemt daarom aan dat de taxatie zou zijn uitgevoerd als de tussenpersoon hierover tijdens de looptijd had geadviseerd. Daarmee is volgens de rechtbank het causale verband tussen de zorgplichtschending en de schade door onderverzekering aanwezig.
Toch 25% eigen schuld ondernemer
Dat de assurantietussenpersoon zijn zorgplicht heeft geschonden, betekent niet dat de volledige schade voor zijn rekening komt. De polisbladen werden namelijk rechtstreeks aan de eigenaar van het bedrijfspand gestuurd. Volgens de rechtbank mocht van hem worden verwacht dat hij die stukken bestudeerde of deze liet controleren. Op de polisbladen was bovendien zichtbaar dat de verzekerde som gedurende meerdere jaren niet veranderde. De eigenaar was ondernemer en volgens de rechtbank mocht daarom een zekere mate van professionaliteit van hem worden verwacht. Daarnaast was hij bekend met de stijging van de bouw- en materiaalkosten tijdens en na de coronaperiode. Onder die omstandigheden had hij zich ook zelf moeten afvragen of de verzekerde som nog voldoende was. Dat had hij niet gedaan.
Primaire verantwoordelijkheid blijft bij tussenpersoon
Bij de verdeling van de schade weegt de rechtbank de fout van de assurantietussenpersoon echter zwaarder. Het is volgens de rechtbank primair de taak van de assurantietussenpersoon om ervoor te zorgen dat zijn klant voldoende verzekerd is, dan wel om te waarschuwen voor het risico van onderverzekering. Daarom wordt 25% van de schade wegens eigen schuld aan de verzekeringnemer toegerekend. De overige 75% komt voor rekening van de assurantietussenpersoon. Van de totale onderverzekeringsschade van € 108.461 moet de tussenpersoon daarom € 81.345,75 vergoeden, te vermeerderen met wettelijke rente. Een eerder verrichte deelbetaling wordt daarop in mindering gebracht.
De uitspraak onderstreept dat de zorgplicht van een assurantietussenpersoon niet eindigt nadat de polis is gesloten. Ook gedurende de looptijd moet aandacht worden besteed aan de vraag of de verzekerde som nog aansluit bij het te verzekeren risico. Bij een gebouwenverzekering is dat extra relevant wanneer de bouwkosten sterk stijgen. Een jarenlang ongewijzigde verzekerde herbouwwaarde kan dan aanleiding zijn om de klant actief te benaderen. Van belang is bovendien niet alleen dát een taxatie of waardebepaling wordt aangeboden, maar ook hoe het advies daarover wordt vastgelegd. In deze procedure kon niet worden vastgesteld dat de verzekeringnemer eerder daadwerkelijk was gewezen op de gratis taxatie en de daaraan verbonden garantie tegen onderverzekering.
Voor de klant is de uitspraak evenmin een vrijbrief om volledig op de adviseur te vertrouwen. Een professionele verzekeringnemer die jaarlijks polisbladen ontvangt en weet dat bouwkosten sterk zijn gestegen, kan worden tegengeworpen dat hij zelf geen vragen heeft gesteld over een jarenlang gelijkblijvende verzekerde som.
Praktijktip: leg periodieke controles van zakelijke opstal- en brandverzekeringen vast in het klantdossier. Documenteer daarbij niet alleen de vastgestelde verzekerde som, maar ook een aangeboden taxatie, de gevolgen van mogelijke onderverzekering en de reactie van de klant.
Bron: Rechtbank Rotterdam 9 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:12579.
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99