De Kennisgroep verzekeringsproducten en assurantiebelasting heeft vragen beantwoord over de looptijd van een bancaire nabestaandenlijfrente wanneer het tegoed door overlijden van de rekeninghouder toekomt aan een kind dat bijna dertig jaar oud is.
Aanleiding
De rekeninghouder van een bancair lijfrenteproduct overlijdt. Op dat moment hebben nog geen uitkeringen plaatsgevonden. Ten gevolge van het overlijden is het kind van de rekeninghouder de gerechtigde tot het tegoed van deze lijfrenterekening. Op het moment van de eerste uitkering is het kind 29 jaar en elf maanden oud. Voor de uitkering wordt niet gekozen voor een looptijd van ten minste twintig jaar.
Vragen
Antwoorden
Beschouwing
Antwoord 1
Op grond van artikel 3.126a, vierde lid, aanhef, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) moet het tegoed van een lijfrenterekening in vaste en gelijkmatige termijnen met een gelijke tussenperiode van ten hoogste een jaar worden uitgekeerd. Vervolgens wordt in artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, onder 1o, Wet IB 2001 eveneens de meervoudsvorm ‘termijnen’ gebruikt. Op grond van genoemde bepalingen moeten, als het tegoed toekomt aan een kind dat op het moment van de eerste termijn nog geen dertig jaar oud is, er meerdere termijnen worden vastgesteld.
Een eenmalige uitkering (uitkering ineens) komt in strijd met de bepalingen van artikel 3.126a, vierde lid, Wet IB 2001. In dat geval is sprake van een verboden handeling in de zin van artikel 3.133, eerste lid en tweede lid, Wet IB 2001. De uitkering ineens wordt als negatieve uitgave voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen. Daarnaast is revisierente verschuldigd.
Antwoord 2
Op grond van artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, onder 4o, Wet IB 2001 moet het kind jonger zijn dan dertig jaar op het moment van de eerste uitkering. De wet geeft echter geen expliciete bepaling over het moment waarop de laatste termijn moet eindigen.
In de Kamerstukken II 2005/06, 30432, nr. 6, pagina 6 is hier aandacht aan besteed en is het volgende hierover aangegeven:
“Ingeval de in de vorige volzin bedoelde erfgenaam jonger is dan 30 jaar, is er een keuzemogelijkheid wat betreft de duur van de uitkeringen. De erfgenaam kan kiezen voor de hiervoor genoemde uitkering van ten minste 20 jaar of voor een uitkering waarbij de periode tussen de eerste uitkering en de laatste uitkering ten minste vijf jaar bedraagt, doch maximaal het aantal jaren dat de erfgenaam jonger is dan 30 jaar. Bij een keuze voor de laatstgenoemde uitkeringsduur moeten de termijnen derhalve een einde nemen in het kalenderjaar waarin de bedoelde erfgenaam 30 jaar wordt.”
De termijnen moeten dus eindigen in het kalenderjaar waarin het kind de dertigjarige leeftijd heeft bereikt. Bij keuze voor de alternatieve uitkeringsduur van ten minste twintig jaar geldt deze beperking niet.
Antwoord 3
De bancaire nabestaandenlijfrente voor een kind dat jonger is dan dertig jaar moet voldoen aan de vereisten van artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, onder 4o, Wet IB 2001. De wettekst bepaalt dat de periode tussen de eerste en laatste termijn ten minste vijf jaar bedraagt, maar nooit meer dan het aantal jaren dat het kind op het moment van de eerste termijn jonger is dan dertig jaar.
Verder bepaalt de aanhef van artikel 3.126a, vierde lid, Wet IB 2001 dat het tegoed van de rekening dan wel de waarde van het recht in vaste en gelijkmatige termijnen met een gelijke tussenperiode van ten hoogste een jaar dienen te worden uitgekeerd.
In de geschetste situatie betekent dit dat wanneer het kind bij de eerste termijn 29 jaar oud is en in dat kalenderjaar de dertigjarige leeftijd bereikt, de uitkerende termijnen minder dan één jaar lopen. Als binnen het kalenderjaar minimaal twee termijnen aan het kind worden uitgekeerd, wordt voldaan aan artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, onder 4o, Wet IB 2001.
Bron: Belastingdienst
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99