MijnFintool

Nieuws

Box 3: geen pro rata heffingsvrij vermogen bij werkelijk rendement op spaargeld

Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 31 juli 2026 opnieuw bevestigd dat het werkelijk rendement in box 3 moet worden afgezet tegen het forfaitaire rendement zonder het werkelijke rendement eerst te verminderen naar rato van het heffingsvrije vermogen. De uitspraak betreft IB/PVV 2023, zaaknummer BRE 25/3647, ECLI:NL:RBZWB:2026:7168.

Casus
Belanghebbende en zijn echtgenote zijn fiscaal partners. Hun gezamenlijke box 3-vermogen bestond in 2023 volledig uit bank- en spaartegoeden. De rendementsgrondslag bedroeg € 229.802. Op de bank- en spaarrekeningen werd in 2023 in totaal € 1.575 aan rente ontvangen.

De inspecteur stelde het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vast op € 1.065. Dit bedrag werd volledig aan belanghebbende toegerekend. Belanghebbende stelde dat het box 3-inkomen moest worden verminderd tot € 793. Daarbij beriep hij zich op het Kerstarrest van de Hoge Raad van 24 december 2021.

De gedachte achter de berekening van belanghebbende is goed te volgen: bij fiscale partners gold in 2023 een gezamenlijk heffingsvrij vermogen van € 114.000. Dat bedrag komt in de forfaitaire box 3-berekening in mindering op de rendementsgrondslag. Belanghebbende paste deze gedachte ook toe op het werkelijke rendement. Hij nam dus niet de volledige ontvangen rente van € 1.575 als vergelijkingsmaatstaf, maar slechts het deel dat volgens hem zag op het vermogen boven de vrijstelling. Het heffingsvrije vermogen bedroeg in 2023 € 57.000 per persoon en € 114.000 voor fiscale partners gezamenlijk.

Oordeel rechtbank
De rechtbank volgt deze berekening niet. Van belang is het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024. Daaruit volgt dat bij de bepaling van het werkelijke rendement de volledige heffingsgrondslag in aanmerking wordt genomen, zonder aftrek van het heffingsvrije vermogen.

Dat sluit ook aan bij de huidige uitleg van de Belastingdienst: bij het fictieve rendement wordt rekening gehouden met een vrijstelling over een deel van het vermogen, maar bij het werkelijke rendement wordt gekeken naar het rendement over het totale vermogen, zonder rekening te houden met het heffingsvrije vermogen.

In deze zaak stond vast dat het werkelijke rendement € 1.575 bedroeg. Dat bedrag was hoger dan het forfaitaire rendement van € 1.065 dat in de aanslag was verwerkt. Het beroep op het Kerstarrest hielp belanghebbende daarom niet. De aanslag bleef in stand en het beroep werd ongegrond verklaard.

Praktijkbelang
De uitspraak is vooral relevant voor situaties met uitsluitend spaargeld. Bij adviseurs en belastingplichtigen leeft begrijpelijkerwijs de vraag of het heffingsvrije vermogen ook een rol speelt bij de tegenbewijsberekening. Het antwoord is: niet bij het vaststellen van het werkelijke rendement. De vergelijking ziet in feite op twee bedragen:

  1. het volgens de wettelijke systematiek berekende forfaitaire box 3-inkomen;
  2. het werkelijke rendement over het totale box 3-vermogen.

Alleen als het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement, kan rechtsherstel aan de orde zijn. Is het werkelijke rendement hoger, dan blijft de aanslag in stand. Er hoeft in dat geval niet te worden bijbetaald op basis van het hogere werkelijke rendement, maar het hogere werkelijke rendement levert ook geen vermindering op.

Voor de adviespraktijk is dit een belangrijk aandachtspunt bij het invullen of beoordelen van een Opgaaf Werkelijk Rendement. Een belastingplichtige met uitsluitend spaargeld kan menen dat de ontvangen rente deels “vrijgesteld” is doordat een deel van het vermogen onder het heffingsvrije vermogen valt. De rechtspraak en de uitvoeringsuitleg wijzen echter een andere kant op: voor de tegenbewijsregeling wordt het werkelijke rendement op het totale vermogen bepaald.

Rekenvoorbeeld uit de uitspraak

Post Bedrag
Bank- en spaartegoeden € 229.802
Ontvangen rente 2023 € 1.575
Forfaitair box 3-inkomen volgens aanslag € 1.065
Door belanghebbende bepleit box 3-inkomen € 793

De berekening van € 793 is te herleiden tot een pro rata-benadering: het werkelijke rendement wordt dan slechts toegerekend aan het vermogen boven het gezamenlijke heffingsvrije vermogen. Juist die benadering wijst de rechtbank af.

Bron: Rechtspraak

Modules & dossiers

Opvoerdatum

11 aug 2026

Laatst gewijzigd

12 aug 2026

Reacties

Er zijn (nog) geen reacties op dit artikel

Graag eerst inloggen om deze pagina te bekijken.

Permanent Actueel met Fintool?

Als professioneel financieel adviseur moet en wilt u bijblijven en dat het liefst in zo weinig mogelijk (kostbare) tijd. Dat kan nu met Fintool.nl! Meld u nu aan als abonnee en krijg toegang tot de Kennisbank, Rekenmodellen en Helpdesk.
Lees verder

Fintool bv © 2003/2026. Alle rechten voorbehouden.
Lees graag de leveringsvoorwaarden en het privacy reglement.

1
1