Het ministerie van Financiën heeft de Fiscale Verzamelwet 2028 ter internetconsultatie voorgelegd. De consultatie loopt van 16 juli 2026 tot en met 10 september 2026. Volgens de consultatiepagina gaat het om uiteenlopende maatregelen om fiscale wetgeving aan te scherpen, te versoepelen, te verduidelijken of bestaande uitvoeringspraktijk wettelijk vast te leggen.
Voor de adviespraktijk zijn vooral de wijzigingen rond de eigenwoningregeling, lijfrenten, excessief lenen en schenkbelasting relevant.
Eigenwoningforfait: terug naar de feitelijke verhuisdatum
De meest herkenbare wijziging voor hypotheekadviseurs is het voorgestelde vervallen van artikel 3.112, zesde lid, Wet IB 2001. Dat artikellid bepaalt nu nog dat in bepaalde verhuissituaties voor de aanvangs- en einddatum van het eigenwoningforfait wordt aangesloten bij de verhuisdatum zoals die bij in- en uitschrijving in de BRP is vermeld. De consultatietekst stelt voor dit lid te schrappen, waardoor voor het eigenwoningforfait weer wordt aangesloten bij de feitelijke verhuisdatum.
De achtergrond is praktisch. Belastingplichtigen geven hun adreswijziging soms niet binnen vijf dagen door. Daardoor kan een periode ontstaan waarin, volgens de BRP-gegevens, nog geen of juist voor de verkeerde woning eigenwoningforfait wordt berekend. De Belastingdienst blijft de BRP-verhuisdatum naar verwachting wel voorinvullen in de aangifte. Als die datum afwijkt van de feitelijke verhuisdatum, moet de belastingplichtige de aangifte zelf corrigeren; doet hij dat niet, dan kan de Belastingdienst afwijken van de aangifte.
Dit sluit aan bij eerdere Fintool-publicaties waarin de spanning tussen BRP-datum en feitelijke verhuisdatum al zichtbaar was. In het Fintool-artikel van 24 januari 2025 werd bijvoorbeeld toegelicht dat onder de huidige systematiek bij een te late BRP-inschrijving de einddatum van het eigenwoningforfait voor de oude woning en de aanvangsdatum voor de nieuwe woning verschillend kunnen uitwerken.
Lijfrenten: inhoudingsplicht in plaats van renseignering
Bij overschrijding van de uiterste ingangsdatum van een lijfrente wordt de lijfrente geacht te zijn afgekocht en worden negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen. Het voorstel breidt de delegatiegrondslag in de Wet LB 1964 uit, zodat bij overschrijding van de uiterste ingangsdatum een inhoudingsplicht kan gaan gelden. Daarbij wordt aangesloten bij de bestaande inhoudingsplicht bij daadwerkelijke afkoop van een lijfrente, inclusief het tarief van 52%.
Daarmee kan de bestaande renseigneringsverplichting voor zover die ziet op overschrijding van de uiterste ingangsdatum vervallen. Dit moet nog worden uitgewerkt in het Eindejaarsbesluit 2027. Ook wordt de eerder ingevoerde “extra dag” na de uiterste ingangsdatum weer geschrapt, omdat die dag vooral was bedoeld om renseignering in het volgende kalenderjaar te laten vallen.
Codificatie goedkeuringen lijfrenten
De Fiscale Verzamelwet 2028 codificeert daarnaast goedkeuringen uit het Verzamelbesluit lijfrenten. Een aanspraak op een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht kan bij overlijden, in het kader van de verdeling van een huwelijksgemeenschap, geheel of gedeeltelijk overgaan op de binnenlands belastingplichtige langstlevende echtgenoot zonder dat artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001 wordt toegepast. Daardoor worden in die situatie geen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen.
Ook wordt voorgesteld om bedragen die worden betaald ter verrekening van pensioenrechten, lijfrenten en andere inkomensvoorzieningen bij beëindiging van een gezamenlijke huishouding als onderhoudsverplichting te behandelen, mits de verplichting tot verrekening volgt uit een notarieel samenlevingscontract. Daarbij wordt artikel 6.6 Wet IB 2001 ook toepasbaar gemaakt op de gewezen partner bij beëindiging van een gezamenlijke huishouding.
Excessief lenen: immigratie en buitenlandse regelingen
Bij excessief lenen wordt voorgesteld om een negatief fictief regulier voordeel alleen nog toe te staan voor zover het betreffende bedrag eerder in Nederland als fictief regulier voordeel in de heffing is betrokken. Daarmee wordt voorkomen dat in Nederland een negatief box 2-voordeel kan worden genomen terwijl het eerdere voordeel niet in Nederland, maar op grond van een vergelijkbare buitenlandse regeling is belast.
Daarnaast wordt de regeling bij immigratie aangepast. Bij immigratie wordt het maximumbedrag nu gesteld op de schuldenstand bij aanvang van de binnenlandse belastingplicht, maar ten minste op € 500.000. Het voorstel regelt dat dit maximumbedrag bij aflossing van vóór immigratie aangegane schulden ook wordt verlaagd, maar niet verder dan tot € 500.000. Nieuwe of toenemende schulden aan de eigen vennootschap kunnen daardoor sneller leiden tot een fictief regulier voordeel.
Schenkbelasting: aangiftetermijn naar 1 mei
Voor de schenkbelasting wordt voorgesteld de aangiftetermijn te verlengen. Nu moet aangifte worden gedaan uiterlijk twee maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de schenking is gedaan. Dat wordt vier maanden. Daarmee eindigt de aangiftetermijn op 1 mei van het volgende kalenderjaar, gelijk aan de reguliere aangiftetermijn voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.
De maatregel is bedoeld om de compliance te verbeteren. Volgens de toelichting blijkt uit een uitvraag dat bijna een kwart van de kinderen die een schenking boven de jaarlijkse vrijstelling ontving geen aangifte schenkbelasting heeft gedaan. De latere datum maakt het bovendien makkelijker om in de IB-aangiftecampagne aandacht te vragen voor schenkbelasting en om op termijn aansluiting bij de beconregeling te onderzoeken. De wijziging moet per 1 januari 2028 ingaan en voor het eerst gelden voor schenkingen in kalenderjaar 2027.
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99