Een werkgever die een werknemer geld leent, zal daarbij niet altijd als eerste denken aan de regels voor consumentenkrediet. Toch kunnen die regels wel degelijk van toepassing zijn. Dat ondervond een loodgieters- en verwarmingsbedrijf dat een werknemer € 50.000 had geleend tegen 7% rente. Nadat de werknemer zijn betalingsverplichtingen niet nakwam, vorderde de werkgever terugbetaling. Zowel de kantonrechter als het Gerechtshof Den Haag ging daar niet in mee.
De kern van de zaak is dat ook een werkgeverslening aan een werknemer kan kwalificeren als een consumentenkredietovereenkomst. De bijzondere uitzondering voor bepaalde personeelsleningen hielp deze werkgever niet, omdat niet was gesteld dat het overeengekomen kostenpercentage lager was dan gebruikelijk op de markt.
Dat heeft verstrekkende gevolgen: als de regels voor consumentenkrediet gelden, moet ook worden voldaan aan de daarbij behorende consumentenbeschermende verplichtingen, waaronder de verplichtingen rond informatieverstrekking en kredietwaardigheid.
Feiten van de zaak
Op of omstreeks 20 december 2023 sloten Wijngaarden B.V. en een van haar werknemers een geldleningsovereenkomst. De belangrijkste afspraken waren:
De werkgever begon een procedure en vorderde uiteindelijk betaling van € 51.979,28. De werknemer verscheen niet in de procedure. De kantonrechter moest echter ook in die versteksituatie beoordelen of dwingendrechtelijke consumentenbescherming van toepassing was.
De kantonrechter kwalificeerde de lening als consumentenkrediet. Vervolgens lag het op de weg van de werkgever om te stellen en te onderbouwen dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan de relevante informatieverplichtingen was voldaan en dat de kredietwaardigheid van de werknemer was getoetst. Dat had de werkgever niet gedaan. De vordering werd daarom afgewezen.
Juridische vraag
Is een geldlening van een werkgever aan een werknemer een consumentenkredietovereenkomst waarop titel 7.2A BW van toepassing is? De werkgever vond van niet. Volgens haar was zij geen kredietgever in de zin van artikel 7:57 BW, omdat zij de lening juist in haar hoedanigheid van werkgever aan haar werknemer had verstrekt. Daarbij wees zij er onder meer op dat de terugbetaling samenhing met de salarisbetalingen. Dat argument overtuigde het hof niet.
Uitspraak van het Hof
Ook een werkgever kan kredietgever zijn
Volgens het hof valt de verstrekte lening binnen de definitie van een consumentenkredietovereenkomst van artikel 7:57 lid 1 onder c BW. Dat de kredietgever óók werkgever van de consument is, verandert dat niet. Een belangrijk argument daarvoor vindt het hof in de wet zelf. Artikel 7:58 lid 2 BW bevat namelijk een bijzondere uitzondering voor bepaalde kredietovereenkomsten die werkgevers als nevenactiviteit aan hun werknemers aanbieden. Het bestaan van die uitzondering veronderstelt juist dat een werkgever in andere gevallen wél onder de regels voor consumentenkrediet kan vallen.
Uitzondering voor gunstige personeelsleningen
Voor werkgeversleningen bestaat dus een uitzondering, maar die geldt niet onbeperkt. Relevant is onder andere dat het krediet aan werknemers als nevenactiviteit wordt aangeboden tegen voorwaarden die gunstiger zijn dan die welke gewoonlijk op de markt gelden. In deze zaak bedroeg de rente 7%. De werkgever had niet gesteld dat dit percentage lager was dan gebruikelijk op de markt. Daarmee kon zij zich niet met succes op de werkgeversuitzondering beroepen. Het enkele feit dat de lening voortvloeide uit de verhouding werkgever-werknemer was dus onvoldoende om de consumentenbeschermende kredietregels buiten toepassing te laten.
Geen kredietwaardigheidstoets onderbouwd
Omdat sprake was van consumentenkrediet, waren ook de daarbij behorende beschermingsregels relevant. De kantonrechter had geoordeeld dat de werkgever niet had gesteld en onderbouwd dat zij vóór het sluiten van de lening aan haar informatieverplichtingen had voldaan en een kredietwaardigheidstoets had uitgevoerd. Om die reden was de betalingsvordering afgewezen. De werkgever bestreed in hoger beroep vooral de kwalificatie van de overeenkomst als consumentenkrediet. Dat betoog slaagde niet. Bovendien was in hoger beroep geen andere grondslag voor de betalingsvordering aangevoerd. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de kantonrechter.
Belangrijke nuance
De uitspraak moet niet te ruim worden gelezen als: “Als geen kredietwaardigheidstoets is uitgevoerd, hoeft een consument het geleende bedrag nooit terug te betalen.” Het hof oordeelt concreet over de vordering zoals die in deze procedure was ingesteld. Van belang was mede dat de werkgever ook in hoger beroep geen alternatieve grondslag voor haar betalingsvordering had aangevoerd. De procesrechtelijke formulering en onderbouwing van een vordering kunnen dus van groot belang zijn.
Bron: Rechtspraak
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99