Het kabinet scherpt het wetsvoorstel voor het kindgebonden budget verder aan. In de nota van wijziging wordt het eerder voorgestelde tweede afbouwpunt van € 60.000 verlaagd naar € 57.950, prijspeil 1 januari 2024. Vanaf dat toetsingsinkomen wordt het afbouwpercentage in twee stappen verhoogd: naar 12,35% in 2027 en naar 12,80% in 2028. De maatregel geldt zowel voor paren als voor alleenstaande ouders.
Van € 60.000 naar € 57.950
Het oorspronkelijke wetsvoorstel introduceerde vanaf 2027 een tweede knikpunt bij € 60.000. Met de nota van wijziging wordt dat knikpunt € 2.050 lager vastgesteld. Daarmee begint de extra afbouw eerder. Gezinnen met een hoger toetsingsinkomen ontvangen daardoor vanaf 1 januari 2027 minder kindgebonden budget, of verliezen eerder volledig het recht op kindgebonden budget. Het bedrag van € 57.950 wordt vóór de inwerkingtreding per 1 januari 2027 nog geïndexeerd.
De toelichting maakt duidelijk dat de wijziging onderdeel is van de dekking van tegenvallers op de SZW-begroting. Het kindgebonden budget wordt volgens het kabinet hiermee “gerichter” gemaakt. In de grafieken bij de nota is voor 2030 geïllustreerd wat de tweede afbouwknik betekent voor alleenstaande ouders en paren met één of twee kinderen. De kern van die grafieken: bij hogere huishoudinkomens loopt het recht op WKB sneller terug en is het budget eerder volledig afgebouwd.
Budgettaire opbrengst
De verlaging van het tweede knikpunt levert bovenop het oorspronkelijke wetsvoorstel een extra structurele opbrengst op van circa € 30 miljoen per jaar. Het oorspronkelijke tweede knikpunt bij € 60.000 had al een structurele opbrengst van circa € 304 miljoen. Gezamenlijk komt de structurele opbrengst van het tweede knikpunt in de WKB daarmee uit op circa € 333 miljoen, in prijzen 2025.
Voor 2027 bedraagt het totale budgettaire effect volgens tabel 1 € 339 miljoen; structureel gaat het om € 333 miljoen. De nota wijst erop dat de bedragen in de tabel in prijzen 2025 zijn opgenomen, waardoor deze afwijken van bedragen in constante prijzen 2024 uit de eerdere memorie van toelichting.
Inkomenseffecten: vooral midden- en hogere inkomens met kinderen
De inkomenseffecten worden alleen gepresenteerd voor ontvangers van het kindgebonden budget. Gemiddeld gaat het om een inkomenseffect van -0,8% voor 480.000 huishoudens. De eerste twee inkomensgroepen, tot en met 172% WML, ondervinden volgens de tabel geen effect. De effecten zitten bij de hogere inkomensgroepen: -0,3% in de derde inkomensgroep, -1,0% in de vierde inkomensgroep en -1,1% in de vijfde inkomensgroep.
Ook uit de uitsplitsing naar inkomensbron en huishoudtype blijkt dat het effect vooral bij werkenden en tweeverdieners ligt. Van de 480.000 huishoudens met effect gaat het om 470.000 werkenden en 420.000 tweeverdieners. Voor uitkeringsgerechtigden wordt een effect van -0,5% genoemd bij 10.000 huishoudens. Gepensioneerden hebben volgens de tabel geen effect.
Opvallend is dat de nota geen effect op de armoedecijfers verwacht: het geïsoleerde effect van de WKB-maatregelen op personen in armoede en kinderen in armoede is in tabel 3 beide 0,0 procentpunt.
Aandachtspunt voor de adviespraktijk
Voor financieel adviseurs is vooral van belang dat het toetsingsinkomen vanaf 2027 zwaarder gaat doorwerken bij gezinnen die nog recht hebben op kindgebonden budget, maar zich in de hogere inkomensregionen bevinden. Bij hypotheekadvies, alimentatieberekeningen, scheiding, partnerbegrip en inkomensplanning kan een beperkte inkomensstijging of wijziging in fiscaal partnerschap daardoor eerder leiden tot een lagere toeslag.
Controleer bij gezinnen met kinderen daarom niet alleen het actuele recht op kindgebonden budget, maar ook het verwachte toetsingsinkomen vanaf 2027. Dat geldt met name bij tweeverdieners, alleenstaande ouders met een hoger inkomen en situaties waarin box 3-inkomen, alimentatie of ondernemingsresultaat het toetsingsinkomen beïnvloedt.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99