In deze Kifid-uitspraak staat een klassiek spanningsveld centraal: mag een bank na jaren alsnog een (oude) kredietschuld opeisen, terwijl zij de klant in de tussentijd structureel heeft bericht dat het saldo nul is? De zaak is extra wrang door de context: het krediet was bedoeld voor een zeiljacht, dat na de scheiding door de ex-partner is verkocht, terwijl de consument (ex-echtgenote) achterblijft in de woning waarop de bank haar zekerheid (tweede hypotheek) had.
Deze zaak draait om een bijzonder scenario waarin een bank jarenlang (2011-2019) jaaroverzichten met “saldo € 0,00” verstrekte, om vervolgens in 2019 tóch weer € 45.400 op te eisen. De Geschillencommissie oordeelt dat de bank haar vorderingsrecht heeft verwerkt op grond van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW).
Feiten van de zaak
De kernfeiten op een rij:
De consument vordert kwijtschelding van de vermeende schuld, terugbetaling van betaalde bedragen na 2019 (als onverschuldigd), plus vergoeding van advocaatkosten.
Juridische vraag
De commissie formuleert de kernvraag als volgt:
Heeft de consument nog betalingsverplichtingen uit het consumptief krediet aan de bank, of heeft de bank haar recht verwerkt om betaling te vorderen?
Met andere woorden: kan de bank “na nul-berichten” alsnog terugkomen op haar positie?
Uitspraak van het Hof (Kifid Geschillencommissie): samenvatting en overwegingen
Toetsingskader: rechtsverwerking (art. 6:2 en 6:248 BW)
Rechtsverwerking is een uitwerking van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW). De commissie benadrukt dat zij dit terughoudend toepast: enkel tijdsverloop is onvoldoende. Vereist zijn bijzondere omstandigheden, zoals:
Deze maatstaf sluit aan bij de lijn in de rechtspraak van de Hoge Raad waarnaar de commissie verwijst (o.a. HR 7 juni 1991 en HR 29 september 1995).
Waarom slaagt het beroep op rechtsverwerking hier wél?
De commissie vindt doorslaggevend dat de bank de consument acht jaar lang in de veronderstelling heeft gelaten dat er geen schuld meer was:
Conclusie: de consument mocht erop vertrouwen dat de bank haar recht niet (meer) geldend zou maken. Daarmee is het later alsnog opeisen van € 45.400 onverenigbaar met het eerdere gedrag van de bank (rechtsverwerking).
Beslissing
De vorderingen van de consument worden toegewezen. De bank moet binnen vier weken:
Let op: de commissie baseert de toewijzing primair op rechtsverwerking door de “nul”-jaaroverzichten. De andere door consument genoemde punten (fraude/ID en billijkheidsargument over opbrengst zeiljacht) staan wél in het dossier als stellingen, maar zijn niet het dragende fundament van de beslissing zoals die is gemotiveerd.
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99