Eind 1994 bestond nog 49 procent van het belegd vermogen van pensioenfondsen uit effecten, waarvan 23 procent in aandelen en 26 procent in obligaties. Beleggingen in aandelen namen sindsdien toe tot 47 procent aan het eind van 2004. Die toename vond in zijn geheel plaats in de jaren negentig, mede onder invloed van stijgende beurskoersen. Aan het einde van 1999 bestond 52 procent van de beleggingen uit aandelen. De beleggingen in obligaties namen in de periode 1994–2004 toe van 26 procent naar 39 procent.
De toename van het effectenbezit in de portefeuille gaat gepaard met een sterke internationalisering van de beleggingen. Eind 1985 hadden pensioenfondsen bijna 8 miljard euro belegd in buitenlandse effecten. Dat was toen 6 procent van het totale belegde vermogen. Eind 2004 was 388 miljard euro, bijna 73 procent van het totaal, gestoken in buitenlandse effecten.
Voor het rendement op hun aandelenbezit zijn de pensioenfondsen afhankelijk van de ontwikkeling op de aandelenbeurzen. Na de beurshausse in de jaren negentig volgden in het nieuwe millennium drie jaren van koersverliezen. In 2003 en 2004 werden weer koerswinsten genoteerd.
In de periode 1994–2004 werd in totaal ongeveer 62 miljard euro aan koerswinsten behaald op het aandelenbezit. Gemiddeld komt dat neer op bijna 7 procent per jaar.
Bron: CBS, 02-05-2005
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99