In de zaak die op 15 april voor de Hoge Raad diende, ging het om twee aandelenlease-contracten die tot de nalatenschap behoorden van een vrouw die in 2000 overleed.
Bij haar overlijden stond er vanwege de leasecontracten nog een betalingsverplichting open van zo’n € 16.000. De beurswaarde van de onderliggende aandelen bedroeg op die datum ca € 36.000 (ruim f 79.000). De nabestaanden hadden de keuze om de contracten te beëindigen of voort te zetten. Zij kozen voor het laatste maar kregen vervolgens met de belastinginspecteur een verschil van mening over de waarde van de aandelenleasecontracten voor het successierecht.
De Hoge Raad heeft uiteindelijk aangegeven dat de waarde (waarde in het economische verkeer) van de aandelenleasecontracten op de overlijdensdatum van de erflater het uitgangspunt is. Nu de erfgenamen de keuze hadden tussen het voortzetten van de contracten of de kostenloze beëindiging per overlijdensdatum, hield dit volgens de Hoge Raad in dat de waarde van de leasecontracten voor het successierecht nooit lager kan zijn dan de opbrengst bij beëindiging per overlijdensdatum.
Het Hof waar de zaak eerder diende had echter niets vastgesteld over de opbrengst bij de beëindiging van de contracten op de overlijdensdatum en had verzuimd te onderzoeken of deze opbrengst hoger zou zijn geweest dan de verkoopprijs van de aandelenleasecontracten ingeval verkoop van deze contracten mogelijk zou zijn geweest. De Hoge Raad heeft de zaak op dit punt verwezen naar een ander Hof.
Bron: PriceWaterhouseCoopers, 19-04-2005
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99