De constructie houdt in dat de familie van een man bij hem een levensverzekering sluit. Als hij voor eind 2005 zou overlijden, kregen zij in totaal 8 miljoen gulden uit zijn vermogen. De familie betaalde op papier verzekeringspremie met geld dat hij hen schonk. Toen de man in 2000 overleed, werd de verzekering uitgekeerd. Dit bedrag was belastingvrij omdat over levensverzekeringen geen successierecht hoeft te worden betaald.
De Belastingdienst is van mening dat de familie op ongeoorloofde wijze de belasting heeft ontdoken. Hierop volgen gerechtelijke procedures die de familie bij het gerechtshof in Den Bosch verliest, maar uiteindelijk bij de Hoge Raad wint.
Eerste uitspraak Hoge Raad
Casus
De zoon heeft bij zijn vader een levensverzekeringsovereenkomst gesloten waarbij hij verzekeringsnemer en begunstigde is. De vader treedt op als verzekeraar en verzekerde. Verzekerd is een kapitaal van 3 miljoen gulden uit te keren na overlijden van de verzekerde voor 21 december 2005. De jaarpremie van 23.175 gulden wordt door de vader aan zijn zoon geschonken. In geschil is of de uitkering van 3 miljoen gulden die de zoon ontvangt na het overlijden van zijn vader op 7 december 2000 onderworpen is aan de heffing van successierechten.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de uitkering van 3 miljoen gulden ten onrechte met toepassing van fraus legis in de heffing van successierechten heeft betrokken. De Hoge Raad zet uiteen dat de levensverzekeringsovereenkomst niet onzakelijk is. Dat bijvoorbeeld de uitkering het 25-voud beliep van het nominale totaal van de betaalde premies is niet ongewoon wanneer rekening wordt gehouden met de grote kans dat erflater op de einddatum nog in leven zou zijn geweest (hij zou dan 57 jaar zijn geweest).
Van strijd met doel en strekking van de wet, zoals door het hof aangenomen, is geen sprake. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de zoon gegrond en verlaagt de verkrijging met 3 miljoen gulden.
Tweede uitspraak Hoge Raad
Casus
De erflater is met zijn echtgenote, belanghebbende, op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Zij heeft bij haar echtgenoot een levensverzekeringsovereenkomst gesloten waarbij zij verzekeringsnemer en begunstigde is. De echtgenoot treedt op als verzekeraar en verzekerde. Verzekerd is een kapitaal van 2 miljoen gulden, uit te keren na overlijden van de verzekerde voor 21 december 2005. De jaarpremie van 15.475 gulden wordt door de echtgenoot aan zijn vrouw geschonken. In geschil is of de uitkering van 2 miljoen gulden, die de echtgenote ontvangt na het overlijden van haar echtgenoot op 7 december 2000, onderworpen is aan de heffing van successierechten.
Belastingbesparing niet doorslaggevend
De Hoge Raad oordeelt dat de uit het vermogen van erflater ontvangen levensverzekeringsuitkering van 2 miljoen gulden bij de echtgenote niet belast is met successierecht. De overeenkomst is ook volgens de Hoge Raad een rechtsgeldige levensverzekeringsovereenkomst. Er is geen sprake van een onzakelijke overeenkomst.
Volgens de Hoge Raad zijn de fictiebepalingen van art. 9 en 11 SW 1956 niet van toepassing. Heffing op basis van art. 13 SW 1956 is niet mogelijk omdat voor de verkrijging niets aan het vermogen van erflater is onttrokken. Heffing met toepassing van fraus legis is evenmin mogelijk nu het hof geoordeeld heeft dat belastingbesparing niet de doorslaggevende reden is geweest voor het aangaan van de overeenkomst. De Hoge Raad verklaart ook het cassatieberoep van de echtgenote gegrond.
Bron: Pleinplus, 23-07-2008
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99