MijnFintool

Nieuws

Kifid GC 2025-0619 (bindend): toetsrente, “maatwerk” en de lat voor overkreditering bij een hypotheek uit 2005

In uitspraak GC Kifid 2025-0619 stond een “klassieke” overkrediteringsklacht centraal, maar met een specifieke twist: de consument meende dat de bank in 2005 bij het bepalen van zijn leencapaciteit een te lage toetsrente had gebruikt (3,7% in plaats van 6%) en daardoor een te hoge hypotheek had verstrekt. De zaak draait daarmee om de vraag hoe je in 2005 (dus vóór de latere wettelijke verankering van kredietwaardigheidstoetsen) beoordeelt of een bank haar zorgplicht en haar (zelf)regulerings-/acceptatieregels correct toepaste.

Feiten van de zaak

  • De consument deed op 6 september 2005 via een adviseur een hypotheekaanvraag; op het formulier staat handgeschreven dat een toetsingsformulier op basis van “maatwerk” was bijgevoegd en bij overige verplichtingen staat “N.V.T.”
  • De bank (De Volksbank N.V., h.o.d.n. SNS Bank) bracht op 8 september 2005 een offerte uit voor € 213.000 tegen 3,7% rente met een rentevastperiode van zes jaar; in de offerte staat ook dat het maatwerk betreft.
  • De consument vorderde later € 110.000 (plus wettelijke rente vanaf 1 oktober 2005), stellende dat:
    • bij 6 jaar vast intern met minimaal 6% getoetst had moeten worden; en
    • de Gedragscode Hypothecaire Financieringen 2003 (GHF 2003) zou vereisen dat je met 30-jaars annuïtaire lasten rekent “en dus niet” met 3,7%.
  • De consument verwees ter onderbouwing naar CvB Kifid 2019-015.

Juridische vraag
De centrale vraag was: is sprake van overkreditering doordat de bank (in 2005) afweek van haar eigen acceptatieregels en/of de GHF 2003 verkeerd toepaste bij het bepalen van de leencapaciteit (toetsrente, woonquote en annuïtaire toetslasten)?

Uitspraak van het Hof (Geschillencommissie) en belangrijkste overwegingen

Juridisch kader: zorgplicht bestond ook vóór specifieke wetgeving

De commissie benadrukt dat er in 2005 nog geen specifieke wettelijke regeling bestond die overkreditering bij hypothecair krediet rechtstreeks normeerde, maar dat de bank op grond van haar zorgplicht wel:

  • informatie moest inwinnen over inkomen/vermogen;
  • en, als het krediet mogelijk niet verantwoord was, moest waarschuwen.
  • Ook als een consument een tussenpersoon had, bleef de bank zelf verantwoordelijk om te waken tegen overkreditering en zo nodig te verifiëren.
  • Verder geldt: de consument moet stellen en onderbouwen dat sprake is van overkreditering.

“Maatwerk”: wel aangevraagd, maar niet beslissend voor de toetsrente-discussie

Partijen twistten over de vraag of sprake was van maatwerk. De commissie stelt vast dat wel degelijk op basis van maatwerk is aangevraagd en verstrekt, mede omdat zowel aanvraag als offerte dat zo noemen.
Tegelijk merkt de commissie op dat niet is onderbouwd dat “maatwerk” alleen in uitzonderlijke gevallen kon, of dat er een aparte “maatwerkhypotheek” bestond.

Toetsrente: bij 6 jaar vast mocht 3,7% worden gebruikt

De kern: GHF 2003 maakt onderscheid tussen:

  • rentevast ≤ 5 jaar: toetsrente “behorend bij 5 jaar” met een (door het Contactorgaan) minimum; een financier mag ook hoger toetsen;
  • rentevast > 5 jaar: dan mag de bij die rentevastperiode behorende geoffreerde rente worden gehanteerd.

Omdat hier de rentevastperiode 6 jaar was, mocht de bank dus toetsen met 3,7%. De consument baseerde zich op de GHF-zinsnede dat je moet uitgaan van “ten minste” 30-jaars annuïtaire lasten, maar dat zegt volgens de commissie niets over welk rentepercentage je moet gebruiken; het gaat om het lastenprofiel (annuïtair/30 jaar), niet om een verplichte “6%-toets” bij >5 jaar vast.

Belangrijk: de bijlage met de Acceptatienormen intermediair 2004 bevestigt dit beeld: bij rentevast >5 jaar wordt uitgegaan van de geoffreerde rente; bij ≤5 jaar wordt op 6% getoetst (of geoffreerde rente als die hoger is).

Woonquote en “overkreditering”: lening bleef ruim binnen de normen

De consument stelde ook dat een lagere woonquote (Nibud) had moeten gelden. De commissie oordeelt dat de bank mocht uitgaan van haar acceptatienormen; bovendien zouden zelfs bij 29% de werkelijke lasten nog binnen de maximale woonlast vallen. Cruciaal is de uitkomst:

  • volgens het toetsingsformulier (maatwerk) mocht maximaal € 260.774 worden verstrekt;
  • verstrekt is € 213.000;
  • maximaal toegestane woonlast was € 9.707 per jaar (€ 808,91 p/m);
  • werkelijke lasten waren € 7.881 per jaar (€ 656,75 p/m).
  • Daarmee concludeert de commissie: geen overkreditering en vordering afgewezen.

Praktische tips

  1. Leg de keuze van toetsrente expliciet vast (én waarom die keuze past bij de norm).
    Juist omdat discussies vaak draaien om “welke rente had je moeten toetsen?”, is een dossieraantekening met: rentevastperiode, toegepaste toetsrente en verwijzing naar de toen geldende norm (GHF/acceptatiebeleid) goud waard. Zie hoe bepalend dit onderscheid (>5 jaar) hier is.
  2. “Maatwerk” is geen magisch woord: definieer het en onderbouw de afwijking.
    Als maatwerk wordt genoemd, maar niet duidelijk is waarom en waarin is afgeweken, ontstaat achteraf interpretatieruimte. In deze zaak wordt maatwerk wel aangenomen, maar het helpt de consument niet zonder concrete onderbouwing.
  3. Toets niet alleen op ‘maximaal toegestaan’, maar communiceer ook het renteschok-risico.
    Ook als een lening binnen normen past, blijft de kern van zorgplicht: zorgen dat de klant kan beoordelen of hij de lasten kan blijven dragen en zo nodig waarschuwen. Dat uitgangspunt wordt in het juridisch kader expliciet benoemd.

Impact voor financieel adviseurs

  1. Dossierkwaliteit is doorslaggevend, zeker bij “oude” dossiers.
    Deze uitspraak laat zien dat een klacht 20 jaar later in de kern wordt beslist op: (a) welke normen golden toen en (b) wat kun je uit het dossier herleiden (rentevastperiode, toetsingsformulier, woonquote).

  2. Ken het verschil tussen ‘toetsrente’ en ‘annuïtaire toetslast’.
    De consument probeerde een GHF-zin over “30-jarige annuïtaire lasten” te gebruiken als argument voor een hogere toetsrente. De commissie knipt dat precies uit elkaar: annuïtaire lastensystematiek ≠ rentepercentageregime. Dat is precies het soort misverstand dat je als adviseur vooraf kunt voorkomen met heldere uitleg.

  3. **Let op: in andere dossiers kan de uitkomst wél hard zijn als er écht is afgeweken van interne de consument hier verliest, is uit de (door hem aangehaalde) CvB-lijn bekend dat als overkreditering wél wordt aangenomen, de remedie vergaand kan zijn (rente terug over het te veel geleende deel en geen toekomstige rente daarover). Praktisch betekent dit: als jouw dossier een interne minimumtoets kent (bijv. 6%) en je wijkt af, moet je dat kunnen uitleggen, onderbouwen énerdoelen CDFD (relevante toetstermen) Op basis van de casus en de discussiepunten zijn met name deze toetstermen leerdoel-relevant:

Bron: Kifid

 

Modules & dossiers

Opvoerdatum

26 jan 2026

Laatst gewijzigd

26 jan 2026

Reacties

Er zijn (nog) geen reacties op dit artikel

Graag eerst inloggen om deze pagina te bekijken.

Permanent Actueel met Fintool?

Als professioneel financieel adviseur moet en wilt u bijblijven en dat het liefst in zo weinig mogelijk (kostbare) tijd. Dat kan nu met Fintool.nl! Meld u nu aan als abonnee en krijg toegang tot de Kennisbank, Rekenmodellen en Helpdesk.
Lees verder

Fintool bv © 2003/2025. Alle rechten voorbehouden.
Lees graag de leveringsvoorwaarden en het privacy reglement.

1
1